Lees de Koran eens goed

Etienne Vermeersch
Birmingham Koran

Omdat er, ook bij moslims, nogal wat onwetendheid bestaat inzake de islam, is het nuttig eens en voorgoed het volgende te preciseren. In de Koran vindt men, in verband met het slachten van dieren voor voeding, slechts de hierna volgende voorschriften.

Soera 2.173: ‘Hij (God) heeft voor jullie slechts verboden wat van zichzelf is doodgegaan, bloed, varkensvlees en vlees waarover iets anders dan God is aangeroepen. Maar wie ertoe gedwongen wordt, niet uit begeerte of om te overtreden, voor hem is het geen vergrijp. God is vergevend en barmhartig.’

Roodkapje bestaat vermoedelijk niet (reactie op Rik Torfs)

Rik Torfs redeneert graag met kwinkslagen, maar vanaf een bepaald niveau van argumentatie dienen ze alleen om de zinledigheid te verdoezelen. Of hij in de hemel rijstpap zal eten of met kaboutertjes zal spelen, zal me een zorg zijn. Bij holle frasen stelt de vraag naar zekerheid of onzekerheid zich niet eens: wat geen betekenis heeft, is zeker noch onzeker. Etienne Vermeersch

 

Roodkapje bestaat vermoedelijk niet

Rik Torfs heeft het niet zo op zekerheid begrepen en dat is zijn volste recht, oordeelt Etienne Vermeersch. Maar wie kiest voor een leven in het ijle, die gelooft nog in sprookjes. Een minimum aan zekerheden is een must voor wie vooruit wil denken.

Etienne Vermeersch - De Standaard, 18 nov. 2014

Rik Torfs pleit tegen zekerheid (DS 15 november) . Gelijk heeft hij; althans wat zijn eigen geschriften betreft. Wat hij over mijn zoektocht inzake godsdienst schrijft, is immers niet alleen onzeker, het is grotendeels onjuist. God was in mijn jeugd niet iemand 'die ik vreesde'. Jongeren van mijn generatie werden inderdaad soms bang gemaakt door donderpreken inzake 'zelfbevlekking'. Zelf voelde ik mij niet aangesproken: ik masturbeerde niet.

Ook over mijn keuze voor de jezuïeten zit hij er naast. Vanuit een vernieuwd geloof, na een zware crisis, wou ik trappist worden, maar dat werd me afgeraden. Daarop koos ik voor de Sociëteit van Jezus. Dat had niets met intelligentie, maar alles met totale inzet te maken. De 'wrede rechtlijnigheid' van de jezuïeten heeft mij nooit gestoord, wel de kromme toepassing ervan.

Toen ik de orde verliet, geloofde ik nog in God. Ik werd ongelovig door een langzaam proces van bewustwording tijdens discussies in de 'Oefeningen' bij Apostel en Kruithof. Ik stelde vast dat ik uit eigen beweging nooit godsdienstige, maar steeds alleen naturalistische argumenten gebruikte. Na een goed jaar moest ik besluiten dat 'God' in mijn denken en leven geen rol meer speelde.

Volgens Rik Torfs was dat een vreselijke periode. Het was de mooiste van mijn leven. Je moet nogal lef hebben om te menen dat je met eigen categorieën kunt achterhalen hoe het wereldbeeld en het gevoelsleven van een medemens zich ontplooit. Torfs suggereert dat ik daarna niet meer authentiek over het religieuze heb nagedacht. Wel, hij mag zijn bibliotheek met de mijne vergelijken.

Ik zal op mijn beurt de zielenroerselen van Torfs niet ontleden. Wel wil ik pogen, op basis van zijn uitingen, te weten te komen waar zijn probleem ligt.

Laat me vooraf zeggen dat ik al in 1965 heb uiteengezet dat 'absolute zekerheid' voor een individu niet te bereiken is. We kunnen immers, geleidelijk of plots, een hersenaandoening krijgen, waardoor ons logisch denken in het gedrang komt.

 

In Indië werd aan die behoefte voldaan door de mythe van de reïncarnatie: beloning en straf volgen via een wedergeboorte, wat de mogelijkheid biedt om het nu beter te doen. Rond Zarathoestra (Iran) ontstond de opvatting dat na de dood een definitieve beloning of straf volgt (soms voor een ziel, soms na opstanding van het lichaam). Voor geen enkele van die mythen is ooit enig spoor van argument gevonden. In dat opzicht scoren ze niet beter dan sprookjes. Ze bieden wel een antwoord op die dringende vraag naar rechtvaardigheid: wishful thinking dus. Dat verklaart mede hun eeuwenlange succes. Etienne Vermeersch

 

Schouders van reuzen

Rik Torfs is niet dom. Wanneer hij schrijft: 'Zekerheid past niet bij de menselijke natuur', dan kan hij dat niet in de algemene zin bedoelen. Een eenvoudig voorbeeld. Op 12 november 2014 is Philae geland op de komeet 67P. Dat is een wetenschappelijk- technologische prestatie die je kunt vergelijken met het afschieten van een naald die door het oog van een andere naald moet vliegen die zich op meerdere kilometers afstand bevindt. Degenen die het project ontworpen hebben, maakten daarbij gebruik van gegevens en wetten uit de astronomie, dynamica, elektrodynamica, kwantummechanica, scheikunde, enzovoort, die ze als 'zeker' beschouwden.

Daarnaast waren er ook onzekerheden, over de juiste vorm van de komeet en de toestand van het oppervlak, bijvoorbeeld. Alleen door hele reeksen wetten en gegevens niet aan verder onderzoek te onderwerpen, kon men zich binnen een redelijke tijd op de detailproblemen richten. Dit 'steunen op de schouders van reuzen', dit voortbouwen op wat aan 'zekerheden' reeds is verzameld, ligt aan de grondslag van de hele wetenschapsgeschiedenis. Als alle wiskundigen, natuurkundigen of scheikundigen telkens opnieuw de stellingen en wetten van hun voorgangers aan onderzoek moeten onderwerpen, zullen zij nooit een stap vooruit zetten.

Vermoedelijk is Rik Torfs ook 'zeker' dat kabouters en elfjes niet bestaan, of dat Klein Duimpje of Roodkapje er nooit is geweest. Wetenschappelijke theorieën zijn scheppingen van de menselijke geest, maar ze zijn wel in eeuwenlang onderzoek aan scherp waarneembare gegevens getoetst; bij sprookjes is dat niet het geval.

Toch denk ik dat Torfs het vooral moeilijk heeft met 'uitvindsels' van de menselijke geest die evenmin voor empirische controle vatbaar zijn, maar die voor bepaalde mensen een existentiële relevantie hebben: men noemt ze meestal 'mythen'. Ze hebben het onder meer over de ultieme oorzaak van de mens en over zijn ultieme bestemming. In de loop der tijden zijn daarover mythen ontstaan: verhalen over goden hierboven en over doden in een onderwereld.

Hemel, hel en andere mythes

In het eerste millennium voor onze tijdrekening hadden zich al een hele tijd culturen ontwikkeld met ethische codes en rechtssystemen. Die leidden tot het besef dat men binnen een maatschappij rechtvaardigheid kon nastreven. Maar stilaan stelde men vast dat sommige slechte handelingen niet werden bestraft en sommige goede niet beloond. Zo ontstond een dwingende nood aan een uiteindelijke, definitieve rechtvaardigheid.

In Indië werd aan die behoefte voldaan door de mythe van de reïncarnatie: beloning en straf volgen via een wedergeboorte, wat de mogelijkheid biedt om het nu beter te doen. Rond Zarathoestra (Iran) ontstond de opvatting dat na de dood een definitieve beloning of straf volgt (soms voor een ziel, soms na opstanding van het lichaam). Voor geen enkele van die mythen is ooit enig spoor van argument gevonden. In dat opzicht scoren ze niet beter dan sprookjes. Ze bieden wel een antwoord op die dringende vraag naar rechtvaardigheid: wishful thinking dus. Dat verklaart mede hun eeuwenlange succes.


Tegen onsterfelijkheid in een hemel of hel pleit de onmogelijkheid om een persoonlijkheid vast te pinnen op één moment in zijn levensloop. Wordt een foetus van 35 weken in die vorm onsterfelijk, of wordt die in de hemel een volwassen persoon (met ervaringen en relaties) die nooit bestaan heeft?Etienne Vermeersch

Sinds de ontwikkeling van de wetenschappen zijn er heel wat bedenkingen te maken bij de formuleringen van die mythen. Tegen de idee van reïncarnatie van dezelfde persoon (of van zijn schuldenlast) kunnen we inbrengen dat een persoon het resultaat is van de interactie tussen een genoom en omgevingsfactoren. Bij een nieuwe geboorte ontstaat echter nooit hetzelfde genoom en de omgeving kan nooit dezelfde zijn. Er is dus geen voortbestaan van een persoon. Tegen onsterfelijkheid in een hemel of hel pleit de onmogelijkheid om een persoonlijkheid vast te pinnen op één moment in zijn levensloop. Wordt een foetus van 35 weken in die vorm onsterfelijk, of wordt die in de hemel een volwassen persoon (met ervaringen en relaties) die nooit bestaan heeft?

Volgens de huidige evolutietheorie zijn er nergens in de evolutie plotse sprongen - er is dus nooit een beslissende wijziging geweest vóór dewelke men niet en na dewelke men wel onsterfelijk zou worden. Een vergelijkbaar probleem stelt zich betreffende de diverse stadia in de ontwikkeling van het embryo en de foetus. Een hemel vol embryo's? Rik Torfs vindt dat ik niet mag redeneren 'in ruimte en tijd'. Waarom niet?

Recht op hoop

Mag ik in verband met denkbeelden waarvan het ontstaan rationeel verklaarbaar is, niet even rationeel denken over hun haalbaarheid? Of is nadenken wel toegelaten in verband met reïncarnatie, maar niet als het over hel en hemel gaat? Welke visie heeft het hoogste sprookjesgehalte? We hebben het niet over ruimte en tijd, maar over de vraag of de termen 'persoon' en 'onsterfelijkheid' hier een zinnige betekenis hebben. Een echt levende persoon verandert en kan dus na honderden jaren niet meer dezelfde zijn.

 

ik ontzeg niemand het recht te hopen, maar aan die hoop een aureool van hogere rationaliteit ontlenen, lijkt me lichtjes overtrokken.Etienne Vermeersch

Rik Torfs redeneert graag met kwinkslagen, maar vanaf een bepaald niveau van argumentatie dienen ze alleen om de zinledigheid te verdoezelen. Of hij in de hemel rijstpap zal eten of met kaboutertjes zal spelen, zal me een zorg zijn. Bij holle frasen stelt de vraag naar zekerheid of onzekerheid zich niet eens: wat geen betekenis heeft, is zeker noch onzeker. Zowel de reïncarnatie als het hemel- helverhaal is bij concretisering totaal ongeloofwaardig gebleken. Men kan hier dus rustig Wittgenstein parafraseren: waarover men niet spreken kan, daarover zou men beter zwijgen.

Voor alle duidelijkheid: ik ontzeg niemand het recht te hopen, maar aan die hoop een aureool van hogere rationaliteit ontlenen, lijkt me lichtjes overtrokken.

Etienne Vermeersch

Het morele statuut van het embryo (bis) - Van hellend vlak naar goede balans

Normen en waarden staan niet in de sterren geschreven. Ze bestaan ook niet op zichzelf. Waarden worden dooreen en uiteindelijk door de mensengemeenschap toegekend... Etienne Vermeersch

 

Van hellend vlak naar goede balans

Het morele statuut van het embryo (bis)

Respect voor alle stadia van een mensenleven, Etienne Vermeersch vindt dat een belangrijk en dwingend gegeven. Alleen is het nooit absoluut: de invulling ervan hangt samen met hoe een samenleving evolueert, ook in haar denken over ethische kwesties.

Standpunt

Etienne Vermeersch I De Standaard, 22 april 2004

Wie? Filosoof, hoogleraar emeritus

Wat? Normen en waarden zijn geen objectief vaststaande gegevens, ze vinden hun grondslag in een maatschappelijke consensus. De rectoren van de Vlaamse universiteiten gaan er ernstiger mee om dan Herman De Dijn suggereert.

 

— De Vlaamse rectoren nemen gezamenlijk de verdediging op van het wetenschappelijk onderzoek inzake embryo's en verzetten zich tegen het burgerinitiatief One of us, dat de Europese Commissie oproept dit onderzoek te verhinderen (DS 10 april). Collega Herman De Dijn (DS 19 april) geeft toe dat de rectoren terecht verwijzen naar de vooruitgang op medisch gebied die deze experimenten tot stand kunnen brengen. Hij vindt echter dat ze aan de kern van de zaak voorbijgaan: 'Als het menselijk embryo, ook al is het slechts potentieel menselijk leven, dezelfde waardigheid heeft als een mens, en als menselijke waardigheid niet toelaat dat welke mens dan ook tot louter middel gereduceerd mag worden, dan zijn de argumenten van de rectoren naast de kwestie.' Hij lijkt zelfs te suggereren dat de rectoren zich laten leiden 'door naïviteit ten aanzien van de mogelijke al dan niet bedoelde neveneffecten van de vooruitgang'.

Ik kan hem op dat vlak geruststellen. De problematiek van het statuut van het embryo in verband met experimenten is maandenlang het voorwerp van een diepgaande discussie geweest binnen het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek. Het verslag hiervan staat in het 'Advies' van 16 september 2002 (Zie De Adviezen van het Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek 2000-2004). Ikzelf heb in mijn laatste boek, Provençaalse gesprekken, een analyse voorgelegd van het statuut van het embryo, waarin ik al de thema's die De Dijn naar voren brengt, bespreek. Hij houdt met dit alles geen rekening en evenmin met de discussies op het internationale vlak. Hij beperkt zich tot retorische vragen 'moet niet, naar analogie van het ongeboren leven ook aan embryo's een speciale waardigheid toegekend worden?', hypothetische formuleringen 'Als...als...' of dogmatische uitspraken: 'En dat alleen mensen die bekwaam zijn tot (bepaalde vormen) van bewustzijn menselijke waardigheid bezitten, is gewoon onjuist.' Een antwoord op die vragen of een fundering van die uitspraken legt hij niet voor. Hij heeft gelijk als hij betoogt dat de speciale waardigheid die aan mensen toekomt, niet door wetenschap aangetoond of ontkend kan worden. Hij maakt echter niet duidelijk waar we dan wel uitsluitsel kunnen vinden over de reikwijdte van deze waardigheid en de fundering ervan.

Van de Oudheid tot nu

Normen en waarden staan niet in de sterren geschreven. Ze bestaan ook niet op zichzelf. Waarden worden dooreen en uiteindelijk door de mensengemeenschap toegekend en de normen die eruit voortvloeien, uiten zich in al dan niet expliciete morele voorschriften of juridische regels, die binnen maatschappijen tot stand komen.

Het statuut van de slavernij, bijvoorbeeld, is in wezen niets anders dan het reduceren van medemensen tot louter middel. Toch hebben noch de voornaamste denkers van de Oudheid (met uitzondering van Philo van Alexandrië), noch het Oude of het Nieuwe Testament, noch de christelijke Kerkvaders en theologen tot de 16de eeuw, ingezien dat dit een verregaande aantasting was van de menselijke waardigheid. Ook bij de theologen van de islam is die bedenking nooit opgekomen. De verklaring is dat binnen de maatschappijen waarin ze leefden, het besef van de omvang die deze waardigheid kan krijgen, nog niet tot stand gekomen was.

In verband met het statuut van het embryo stel je een vergelijkbare evolutie vast. Uit de ethische en juridische teksten van het Oude Nabije Oosten blijkt dat de ongeboren vrucht als eenobject werd beschouwd (de waarde was ongeveer die van een ploeg). Dit geldt ook voor het Oud Testament (Ex. 21, 22-23 is de enige passus uit de hele Bijbel die voor het statuut van embryo en foetus expliciet relevant is).

In zeer veel culturen hing de opname in de mensengemeenschap af van een beslissing van de ouders, of van de vader alleen (zoals het geval was in Rome). Bij Aristoteles komt de vraag naar voren wanneer het embryo 'vorm' krijgt, 'bezield' wordt (na 40 dagen voor een jongen, na 90 dagen voor een meisje). Deze opvatting leidt dan in het christendom, via die formulering van Ex. 21, 22-23 tot het onderscheid tussen een 'gevormde foetus' (foetus formatus), na 40 of 90 dagen en een 'ongevormde' (foetus informis) daarvoor. Doorheen de bijna unanieme christelijke traditie werd alleen de abortus van een foetus formatus als moord beschouwd. De foetus informis was dus geen mens. Pas in 1869 schafte de Kerk dat onderscheid af.

Stoffelijke resten en hoe ermee om te gaan

Dat normen en waarden hun oorsprong en grondslag vinden in een maatschappelijke meerderheid of consensus, blijkt ook uit de recente ontwikkelingen inzake abortus, in-vitrofertilisatie of pre-implantatiediagnostiek. Het nadenken daarover door ethici en andere betrokkenen heeft langzamerhand geleid tot het besef dat de vragen in dit verband niet op te lossen zijn vanuit de alles-of-nietspositie die collega De Dijn soms suggereert. Je hebt niet ofwel de volledige menselijke waardigheid, ofwel helemaal niets. De eerbied tegenover het stoffelijk overschot van mensen, waarover De Dijn zinnige dingen zegt, toont hetzelfde aan. Hoewel een lijk geen mens meer is, heeft het toch nog deel aan de menselijke waardigheid, maar niet op een absolute wijze. We aanvaarden ingrepen op een lijk bij een autopsie om juridische redenen, bij anatomie-onderwijs (via voorafgaande goedkeuring) en voor transplantaties (via impliciete goedkeuring).

Bij onderzoek van het embryo en de foetus kan je vaststellen dat er tussen vroegere en latere stadia verschillen zijn inzake de waarschijnlijkheid dat er uiteindelijk een mens geboren wordt, inzake de structuurgelijkheid tussen, bijvoorbeeld, een vroeg embryo en een late foetus en inzake de afhankelijkheid van een specifieke omgeving: een foetus van 30 weken kan buiten de baarmoeder tot een kind uitgroeien, een embryo van 8 weken niet. In het eerder vermelde artikel toon ik aan hoe je, op basis van die gegevens, tot een ethische appreciatie betreffende het statuut kan komen. Hiervan uitgaande kan je dan de relatieve mate van beschermwaardigheid van embryo en foetus afwegen tegen het belang van de bedoelde experimenten voor het algemeen menselijk welzijn. Meer en meer mensen nemen nu aan dat bepaalde experimenten op het pre-embryo, na een dergelijke afweging toelaatbaar en zelfs gewenst zijn.

Het is niet helemaal fair te suggereren dat onze onderzoekers, en de rectoren die hen ondersteunen, geen rekening zouden houden met de genuanceerde betogen die over deze thematiek bij ons en elders werden gehouden.

Respect voor alle stadia die naar het leven van een mens leiden, en ook voor de stadia na dat leven, moet zeker een belangrijke waarde binnen de mensengemeenschap blijven; maar dat respect is geen monolithisch blok. We moeten het telkens weer in de balans leggen met het respect voor andere maatschappelijk relevante waarden.

professor Etienne Vermeersch, ethicus

Wat is godsdienst? (over wetenschap, religie, feiten en waarden)

OVER WETENSCHAP EN RELIGIE

Wat is godsdienst?

Waar Rik Torfs schreef dat wetenschap wel over godsdienst kan spreken, maar haar niet kan vatten, is Etienne Vermeersch niet helemaal akkoord. Want wat een religie als waarheid neerzet, valt wel degelijk te toetsen. Maar dan moet je een onderscheid maken tussen feiten en waarden.

Etienne Vermeersch - Opiniestuk I De Standaard, 27 maart 2014

Mijn probleem met de column van Rik Torfs (DS 24 maart) over wetenschap en religie betreft zijn opvatting over godsdienst. Wie van 'kunst' een definitie zoekt, kan bij uitspraken daarover van kunstenaars en onderzoekers gemeenschappelijke kenmerken opsporen. Daarbij zou het vreemd zijn de opvatting van enkele individuen als de enig waardevolle voor te stellen.

Om te achterhalen wat 'godsdienst' is, kun je een vergelijkbaar onderzoek opzetten. Laten we ons voorlopig beperken tot de monotheïstische godsdiensten. Daarin vinden we zowel gezaghebbende teksten, 'Openbaringen', als geleerde studies van hoog niveau. Kenmerkend voor die godsdiensten is dat zij beweren 'waarheden' voor te houden. Nagenoeg alle gelovigen tot in de 17de eeuw waren ervan overtuigd dat je een aantal van die uitspraken in hun letterlijke betekenis als absolute waarheid moest aanvaarden. De drie belangrijkste hadden als gemeenschappelijke overtuiging dat er één God is, almachtig, oneindig wijs en oneindig goed, die de wereld geschapen heeft. Voor de christenen was Jezus van Nazareth niet alleen mens, maar ook 'Zoon van God' en tevens 'God'. De moslims waren ervan overtuigd dat God geen zoon had en dat Jezus alleen maar mens was. Voor de joden was Jezus irrelevant en zou er zeker nog een messias komen.

Die denkbeelden werden door niemand als 'louter symbolisch' opgevat: de visies van de anderen vond men volkomen onjuist en zelfs verderfelijk. Ook nu nog denken vele honderden miljoenen gelovigen van die godsdiensten daar ongeveer hetzelfde over. Sinds de 18de eeuw zijn er onderzoekers die aan sommige van die 'waarheden' een 'symbolische' betekenis toeschrijven, maar de keuzes die ze hierbij maken, zijn nogal uiteenlopend. Protestanten loochenen de blijvende maagdelijkheid van Maria. Meer en meer christenen verwerpen nu zelfs de maagdelijke geboorte van Jezus, maar enkelen onder hen vatten de 'verrijzenis van Jezus' dan weer letterlijk op. Toch zijn er gelovigen die ook dit verhaal als symbolisch beschouwen.

De evolutietheorie

Ik vermeld dit alles omdat ik wel aanneem dat mensen zoals Rik Torfs en astrofysicus Gerard Bodifée (Reyers laat, 18 maart) over de betekenis van godsdienstige uitspraken heel eigen, specifieke opvattingen hebben. Maar ik vind het vreemd dat ze soms de indruk wekken dat hun visie representatief is voor de gangbare opvattingen over godsdienst en de functie ervan. Doen het diepgaande geloof en de ingrijpende praktijken van alle gelovigen vóór de 17de eeuw en van talloze gelovigen van thans, er dan helemaal niet toe?

Wie die godsdiensten objectief bestudeert, stelt vast dat ze beweringen voorhouden, die, als ze waar zijn, waarneembare gevolgen hadden of hebben. Op basis van die teksten zijn er in de 21ste eeuw honderden miljoenen mensen die de evolutietheorie verwerpen. De uitspraken van de Bijbel en de Koran over de vrouw hebben nu nog immense maatschappelijke gevolgen. Zelfs de meerderheid van de katholieke hiërarchie verdedigt op basis van de Bijbel het exclusief mannelijke priesterschap. Weten zij dan niet hoe je godsdienst moet interpreteren? Ook op ethisch gebied kan je over religies oordelen vellen. De jongeren die naar Syrië trekken vinden de zingeving van hun bestaan inderdaad in hun geloof, maar is dat zo positief?

'Bemin uw vijanden'

Inderdaad, 'waarheden' die geen enkel concreet gevolg hebben voor onze natuurlijke of socio-culturele wereld, zijn niet voor wetenschap vatbaar, maar ze leren ons ook niets. 'Bijvoorbeeld: 'er bestaat een God, waarover niemand iets kan weten'. Uitspraken die wel een feitelijk karakter hebben, zoals: 'Jezus was de eerste die "bemin uw vijanden" predikte', zijn wel vatbaar voor wetenschappelijk onderzoek: in dit geval met een negatieve uitkomst.

De feitelijke aanwezigheid van ethische houdingen en van zingevingen kun je met allerlei directe of indirecte methodes achterhalen en ook de impact van deze ethiek en zingeving op het individu en de maatschappij kunnen we inschatten.

Kortom, je kunt het debat over deze thema's op een redelijke wijze voeren als we niet zozeer een onderscheid maken tussen wetenschap en godsdienst, maar veeleer tussen feiten en waarden. Beweringen over feiten - natuurlijke, psychologische, sociale en culturele - kun je op hun waarheidsgehalte toetsen met rationele methodes.

Wat de attitudes van ethische, esthetische of zingevende aard betreft, die beoordelen we op hun waarde door de gevolgen ervan voor het individu of de maatschappij na te gaan. Daarbij vertrek je natuurlijk niet vanuit wetenschappelijke gegevens, maar vanuit onze basiswaarden, individuele, of in ruime kring aanvaarde, zoals de rechten van de mens.

 

Etienne Vermeersch: "Ik, conservatief? Wel, wel"

Etienne Vermeersch

"Wil columnist Fikry El Azzouzi argumenten op tafel leggen?", schrijft Etienne Vermeersch, professor-emeritus aan de Universiteit Gent, vandaag als antwoord op de column van Fikry El Azzouzi, die gisteren in de krant verscheen.

 

Beste Fikry El Azzouzi,
U bent er inderdaad in geslaagd mij een tekst van u te doen lezen. Vermoedelijk voor de laatste maal. U schrijft immers de ene onwaarheid na de andere:

Excuses van Etienne Vermeersch

Etienne Vermeersch

Excuses van Etienne Vermeersch

In het interview in De Morgen (DM 2/6) zei ik dat de 'boerka-nikab' een erger symbool is dan de swastika. De boerka-nikab staat symbool voor een eeuwenlange onderdrukking van de vrouw in de islam; dat is erg. De swastika is symbool van een racistische massamoord: dat is veel erger. Mijn opmerking was dus een blunder. Ik ben er beschaamd over en ik vraag excuus aan mensen die onder het nazibewind geleden hebben. Die blunder dreigt bovendien de aandacht af te leiden van de solide argumenten voor het 'boerkaverbod', waar ik blijf achter staan.

Wel wil ik het volgende opmerken. In een artikel, waarin men ieder woord kan wegen, zou ik zoiets nooit schrijven. Het ging hier echter om een plotse opwelling in een heftige discussie en de vraag over die twee symbolen werd door de interviewer aangebracht. Normaal zou ik bij lectuur achteraf zoiets schrappen, maar door het feit dat de interviewer tevens de opponent was, dacht ik dat zo'n schrapping een gebrek aan fair play tegenover hem zou vormen.

Al meer dan 50 jaar kom ik in de media. In (mondelinge) debatten, interviews e.d. zal ik wel nu en dan een uitschuiver gemaakt hebben. In geschreven teksten kan ik mij geen echte blunder herinneren; wel een paar onjuistheden over feiten.

Ook daarover ben ik beschaamd. Wie lesgever en onderzoeker is, moet in zijn publieke uitingen zo waarheidsgetrouw mogelijk zijn. Ik vermeld dit omdat in de twitter-, facebook, blog- en forumcultuur de kwaliteit van het debat in gedrang dreigt te komen. Scheldwoorden moeten dan ernstige argumenten vervangen. Nochtans speelt het debat, ook het scherpe debat, een belangrijke rol in een democratie. Maar het respect voor de waarheid en de waarden moet hierbij centraal staan.

Daarom pleit ik ervoor dat men bij vergissingen zijn fout erkent en erover beschaamd is. Ikzelf hoop, vooral in interviews, beter op mijn woorden te letten.

Etienne Vermeersch

Etienne Vermeersch in De Morgen: 'Als symbool is de boerka erger dan de swastika'

Wouter Verschelden interviewt Etienne Vermeersch
Photo by Majid Korang beheshti on Unsplash

Disclaimer, lees: Vermeersch biedt excuses aan voor verspreking

'We hebben jaren gevochten voor een seculiere maatschappij. En nu komt een expansieve islam ons bedreigen.' Etienne Vermeersch (78) is in gevechtsmodus. De streep haar schuin gekamd, zijn bureau - in de waanzinnige chaos van zijn werkplek - overladen met extracten uit de Koran. Klaar om de intellectuele pantserdivisie uit te rollen over al wie tegen een boerkaverbod is. 'We moeten de radicalisering stuiten.'

 

God & Ethiek

Etienne Vermeersch

God en ethiek

De opvatting  dat er een noodzakelijk een nauwe band bestaat tussen godsdienst en ethiek is niet alleen Voltairiaans of Dostojevskiaans ("als God niet bestaat is alles toegelaten"): ze is volgens mij ook fout.

Indien de ethiek het gedurende zoveel millennia zonder godsdienstige ondersteuning heeft kunnen stellen, is er geen enkele reden om te denken dat dit nu, zelfs bij de doorsnee mensen, niet meer het geval zou kunnen zijn.Etienne Vermeersch

De misvatting die aan de basis van deze meningen ligt, is de overtuiging dat godsdienst en ethiek als van nature iets met elkaar te maken hebben. Historisch gezien is dit onjuist. In de Griekse, Romeinse, Babylonische, enz. godsdiensten vallen de goden niet op door hun ethisch hoogstaande gedragingen. Reeds Xenophanes (5de eeuw v.C.) schreef dat de Griekse goden niets liever deden dan "kleptein, moicheuein te kai allèlous apateuein": stelen, hoereren en elkaar bedriegen. Niet alleen was er weinig verband tussen godsdienst en ethiek, ook bestond er geen geloof aan een beloning of straf na de dood. Dat geldt niet alleen voor deze godsdiensten, maar ook voor de Israëlitische: het Oude Testament is gedragen door de overtuiging dat er geen beloning of straf na de dood bestaat; dat kan heel gemakkelijk bewezen worden. Pas in het boek Daniël dat dateert van rond het midden van de 2de eeuw v.C., dringt deze gedachte in de Bijbel door. De standaard-overtuiging staat reeds in het boek Genesis: "gij zijt stof en tot stof keert ge terug".

Afgezien van de Egyptische cultuur die een heel aparte ontwikkeling heeft doorgemaakt, kan men zeggen dat alle godsdiensten ter wereld geen algemene beloning of straf na de dood kenden, tenzij zij, direct of indirect beïnvloed zijn door Zarathoestra of door de Upanishaden.

In de loop van het eerste millennium vόόr Christus worden de mensen in verschillende culturen geconfronteerd met de ondraaglijke gedachte dat boosaardige mensen soms een heel succesvol en gelukkig leven hebben en deugdzame mensen soms zeer ongelukkig kunnen zijn.

Dit probleem van het geluk van de bozen en het ongeluk van de goede mensen heeft tot twee oplossingen geleid. 

In Indië komt in de loop van de 9de  eeuw v. C. de gedachte naar voren (in de Upanishaden, bv. Chandogya Upanishad) dat de mens tijdens zijn leven een soort karma op zich laadt: de gevolgen van zijn goede en slechte daden; je kunt het verdienste of schuld noemen. Na de dood blijft de nawerking daarvan doorgaan en dat leidt tot een wedergeboorte in een toestand  - beter of slechter - die door dat karma wordt bepaald.  Dit is een meesterlijke oplossing voor het probleem van het geluk van de bozen: wie in dit leven onschuldig lijdt, moet beseffen dat hij dat te wijten heeft aan het negatief karma van een vroeger leven en kan de hoop ontwikkelen dat, als hij deugdzaam wordt, het in een volgend leven al zoveel beter zal hebben. Op wie gelukkig is en boosaardig, moet je niet jaloers zijn, want er staat hem  in een volgend leven nogal wat te wachten.  In het Hindoeïsme, maar ook in het Boeddhisme en het Jaïnisme is die basisgedachte (met varianten) overgenomen en heeft zich zo over het grootste deel van Azië verspreid.

De overtuiging dat godsdienst en ethiek als van nature iets met elkaar te maken hebben is historisch gezien onjuist. Etienne Vermeersch

De andere oplossing komt van Zarathoestra  (vermoedelijk ook rond de 9de  eeuw v.C.).  De basisgedachte is dat er in de wereld twee fundamentele krachten of godheden zijn: de god van het licht, de waarheid, de reinheid, het goede,  en de god van de duisternis, de leugen, de onreinheid, het kwade (Ahura Mazda, Ormuzd tegenover Agra Mainyu, Ahriman) en hun volgelingen: engelen en duivelen. Zowel in de maatschappij als in het individu is er een blijvende strijd tussen die twee krachten, waarbij nu eens de ene, dan weer de andere het lijkt te halen. Er komt echter een eindstrijd waarbij de goede god de overwinning zal behalen; al degenen die partij gekozen hebben voor het goede, zullen uit de dood opstaan en de eeuwige beloning krijgen; de bozen zullen gestort worden in de poel van het verderf, de hel  (volgens sommige bronnen de totale vernietiging). In sommige bronnen is er ook sprake van een ziel die onmiddellijk na de dood een beloning of straf krijgt;  de gedachte van de wederopstanding lijkt echter de oudste en de meest succesvolle.

Mede door de Perzische veroveringen werd deze visie in het Midden-Oosten verspreid en in de loop van de tweede eeuw voor Christus drong ze ook door in het Judaïsme, vooral bij de Farizeeën en de Esseniërs en via hen ook bij Jezus en in het Christendom. De Sadduceeën  (de priesters) bleven echter de orthodoxie handhaven en geloofden niet in een leven na de dood.

Na het Christendom werd deze opvatting ook overgenomen in het Manicheïsme en in de Islam.  Zarathoestra is dus een van de invloedrijkste figuren uit de wereldgeschiedenis, zoniet de invloedrijkste.  Zijn opvatting lost het probleem van het geluk van de bozen op,  maar heeft tevens een sterk wervende kracht omdat de mensen worden opgeroepen om zich aan te sluiten bij het leger van de goeden en dat van de bozen te bestrijden (Gott mit uns).  Daar staat tegenover dat het een simplistische, ongenuanceerde visie is omdat ze alleen leidt tot eeuwig gelukkigen en eeuwig verdoemden; de Indische oplossing is veel rechtvaardiger omdat men beloond en gestraft wordt,  exact in de mate waarin men goed of kwaad gedaan heeft.

Naast de Egyptische traditie moet ik ook nog melding maken van de leer van Plato over de onsterfelijke (eeuwige) ziel die als roeping heeft ooit de vormenwereld te aanschouwen.  Ook die opvatting heeft het Christendom beïnvloed, o.m. via het ‘Boek der Wijsheid’ of ‘Wijsheid van Salomo’ (Sapientia Salomonis) vermoedelijk uit de tweede helft van de eerste eeuw v.C..

Slotbeschouwing

Ik herhaal mijn thesis dat de culturen die niet door een van de hier vermelde oplossingen beïnvloed werden, geen algemene beloning of straf na de dood kenden.

De gedachte dat deze culturen dan ook geen ethiek zouden gehad hebben, lijkt mij totaal absurd en strookt niet met de historische feiten. De Romeinen bv. hadden - zeker tijdens de republiek - een strenge moraal zonder dat die door een godheid of een gedachte aan een beloning of straf na de dood moest worden ondersteund.

Het is pas onder invloed van de twee genoemde stromingen dat de gedachte aan een verband tussen godsdienst, eeuwige beloning of straf, en ethiek, ontstaan is.

Indien de ethiek het gedurende zoveel millennia zonder godsdienstige ondersteuning heeft kunnen stellen, is er geen enkele reden om te denken dat dit nu, zelfs bij de doorsnee mensen, niet meer het geval zou kunnen zijn.

Postscriptum over de god van het christendom

Etienne Vermeersch

Wanneer ik over het bestaan van "God" spreek, preciseer ik altijd dat ik het over "de God van het christendom" heb. Dat heeft uiteraard een reden. De godsbegrippen van de diverse culturen en, binnen onze cultuur, van vele individuen, zijn zo gevarieerd dat daarover in het algemeen in positieve of negatieve zin niets te zeggen valt. Onder degenen die zich nu nog christen noemen, zijn er heel wat die vinden dat ze zelf kunnen bepalen wat christendom is en wat de term God daarin betekent.

Mijn critici vertrekken vaak van een idiosyncratische visie op God en een al even idiosyncratische visie op het christendom ("idiosyncratisch" betekent "heel bijzonder en eigenzinnig"). Meestal expliciteren ze die visies niet, maar zodra ze daar een poging toe wagen, blijkt al snel dat het niet om één (de) "hedendaagse" opvatting gaat, maar over een hele waaier van opvattingen.

Die critici drukken zich dan soms neerbuigend uit over mijn onwetendheid betreffende die actuele stromingen. Maar ik ken natuurlijk Bultmann, Robinson, Tillich, Schillebeeckx, en ga zo maar door; ik ken de opvattingen van talloze exegeten van het Oude en Nieuwe Testament, inclusief die van de meest recente auteurs betreffende het leven van Jezus.

Kort vertoog over de god van het christendom

Etienne Vermeersch

In de meest strikte zin van het woord bestaan er geen absolute zekerheden. We weten allemaal dat een mens in een toestand van krankzinnigheid kan komen waarin hij waandenkbeelden niet van waarheid kan onderscheiden. Zo iemand kun je er op het moment van zijn waan niet van overtuigen dat hij verkeerd zit. Wanneer wat ik nu beleef en schrijf een waandenkbeeld zou zijn, zou ik het zelf niet weten; maar dat geldt voor ieder van ons op ieder moment. Absolute zekerheid kan niemand dus hebben. Het heeft in de praktijk echter weinig zin met deze beperking rekening te houden, want dat zou ons niets vooruit helpen.