Vrijheid van meningsuiting

Etienne Vermeersch

De inzichten over het belang van vrijheid van meningsuiting zijn in Europa vooral ontstaan ten gevolge van de Dertigjarige Oorlog (einde: 1648). Talloze mensen hadden toen het leven verloren in gevechten die in essentie betrekking hadden op de vraag wat de juiste vorm van christendom was: de protestantse of de katholieke. Pierre Bayle stelde vast dat er aan beide zijden intelligente en deugdzame mensen waren, die toch van mening verschilden over die centrale vraag. Blijkbaar was het antwoord daarop niet evident. Het principe dat alleen de waarheid rechten heeft en de leugen niet, was in deze context niet vol te houden. Er was immers geen absolute neutrale instantie die kon beslissen wat de waarheid was. Door vrijheid van meningsuiting kunnen alle opinies aan bod komen en alleen dat maakt het mogelijk dat uiteindelijk de waarheid komt bovendrijven. Uitgaande van dit basisargument, komt men tot de wezenlijke vraag of die vrijheid ook grenzen kent. Vanuit een moreel uitgangspunt ligt het voor de hand dat we het goede nastreven en het kwade afwijzen. In verband met een maatschappij-ordening door een strafwet gaan we echter niet zover dat alles wat immoreel is, ook wettelijk verboden wordt.

Ontrouw in vriendschappen, leugen, vernederende opmerkingen… verdienen onze morele afkeuring maar die worden niet door de strafwet beteugeld. Zo’n terughoudendheid is nog veel meer wenselijk in verband met het uiten van meningen. Uitspraken die men op een bepaald moment verfoeide, bleken achteraf toch waar en positief te zijn. Veel mensen die vroeger vanwege hun mening met algemene instemming werden opgesloten of levend verbrand, hebben achteraf gelijk gekregen. Wat op een bepaald moment verboden was, wordt later soms waardevol: tijdens mijn jeugd was het aanprijzen van contraceptieve middelen nog verboden… Een tweede reden waarom men met het beteugelen van uitspraken voorzichtig moet omspringen, ligt in het feit dat het heel moeilijk is nauwkeurige criteria te vinden voor wat mag en niet mag.

Wanneer bij een betoging geroepen wordt “Khaybar Khaybar ya yahud” zullen mensen die niet vertrouwd zijn met de islam, daar geen aanstoot aan nemen (“jood herinner u Khaybar”). Khaybar was een joodse nederzetting in Arabië die door Mohammed werd veroverd, waarna de inwoners het vernederend statuut van horigen kregen; even later werden ze allemaal door kalief Omar uit Arabië verdreven. Deze kreet zet dus aan tot agressie tegen de joden. Men zou zoiets kunnen verbieden als aansporing tot geweld, maar wat indien men daarna beperkt tot de kreet; “Khaybar”, of zelfs “Omar”? Of stel dat een imam oproept tot “jihad” en achteraf zegt dat hij eigenlijk de “grote jihad” bedoelde: de innerlijke strijd tot zelfverbetering. Het feit dat mensen voortdurend codes kunnen afspreken, maakt het efficiënt verbieden van uitspraken tot een hachelijke onderneming.

Er is een derde nadeel bij verbodsbepalingen zoals bv. het negationismeverbod: het wordt onmogelijk om daarna de diverse vormen ervan intellectueel te weerleggen: wat niet publiek geuit wordt, kun je niet efficiënt bestrijden.

Een wettelijk verbod op bepaalde meningsuitingen moet dus nauwkeurig omschreven kunnen worden. Een eerste voorbeeld is laster en eerroof (wat niet hetzelfde is): in beide gevallen wordt directe ernstige schade aan medemensen toegebracht. In andere voorbeelden is het essentieel de context erin te betrekken. Bv. “Kinderverkrachters moet men zonder vorm van proces ophangen.”. Wanneer zoiets in een artikel of redevoering voorkomt, is dat immoreel, maar dat hoeft niet wettelijk verboden te worden. In een concrete context waarin een groep mensen een kinderverkrachter betrapt, kan zo’n uitspraak leiden tot het effectief ophangen van deze persoon. Het spreekt vanzelf dat men een dergelijke directe aansporing tot een misdaad moet kunnen bestraffen. Wanneer tijdens de recente rellen in Beringen iemand zou hebben opgehitst tot het bestormen van gebouwen, dan was dat eveneens een directe aansporing tot misdaad en wettelijk strafbaar.

In verband met het recente voorstel tot verstrenging van onze wetgeving terzake moet men dus de vraag stellen of de huidige ‘oorlogstoestand’ vergelijkbaar is met een context waarin bepaalde uitspraken tot onmiddellijke uitvoering aanleiding geven. Mij lijkt dat niet echt het geval. Men zou bv. aanzetten tot het ‘bestrijden’ van de westerse beschaving als een oproep tot geweld kunnen zien, maar is het ‘bestrijden’ van salafisten of moslimbroeders dan ook zo te interpreteren? Dan zullen heel wat misprijzende of veroordelende uitingen niet meer mogelijk zijn. Wie de geschiedenis van dergelijke verbodsbepalingen nagaat, zal vaststellen dat ze dikwijls ook belangrijke vormen van maatschappijkritiek onmogelijk maken. Tenslotte nog een laatste opmerking. Het behoort niet tot de vrijheid van meningsuiting dat men aan iedereen een tribune verschaft om zijn mening te uiten. Men kan bv. bepaalde imams beletten te spreken in een moskee die overheidssteun krijgt; men kan mensen de toegang tot kranten of andere media ontzeggen. Zolang er geen algemeen strafrechtelijk spreek- of schrijfverbod is, wordt de vrijheid van meningsuiting niet echt in het gedrang gebracht.