Etienne Vermeersch

Vermeersch en de pedofiliediscussie: de correcte gegevens

In de pers zijn enkele zogenaamde 'interviews' met Etienne Vermeersch geschreven. Aan de persmensen die hebben opgebeld werd nochtans duidelijk gezegd dat het antwoord betreffende het artikel van 1979 alleen aan De Morgen werd toegezegd.

Teksten hierover in andere kranten, zelfs onder de hoofding "Interview" zijn op grond daarvan als fictief of "off the record" te beschouwen en zijn ook onvolledig en/of onjuist.

Hierna volgen de teksten zoals ze in De Morgen zijn verschenen (zie 3 PDF-files onderaan), voor die welke op zijn naam staan, neemt Etienne Vermeersch de volle verantwoordelijkheid op zich. Dat geldt dus zeker niet voor alles wat elders aan hem werd toegeschreven.

 

Alzo sprak ik in 1979

door Etienne Vermeersch, gepubliceerd in De Morgen 28/1/2011

Sinds enige tijd circuleren er op het Internet verwijzingen naar een artikel over pedofilie, dat ik in 1979 gepubliceerd heb in De Morgen. Veel van die, meestal naamloze, aanvallen citeren een stuk in ’t Pallieterke, waarin o.a. de valse bewering stond dat ik, als decaan, een auditorium ter beschikking gesteld had voor het stuk ‘Snoepjes’. Aan de Gentse universiteit is alleen de rector daartoe bevoegd.

Het is de verdienste van collega Filip Buekens dat hij nu, door een uitvoerige bespreking in De Morgen van 26/1, mij de kans biedt om mijn visie hierover publiek te maken. Men moet hem ten goede houden dat hij een aantal regels uit mijn artikel correct citeert, maar ik merk toch op dat hij sommige wezenlijke zaken niet citeert en de geciteerde verkeerd interpreteert. Ten eerste vermeldt hij mijn ‘basiswaarden’. Ik had daaraan toegevoegd dat bij een “grondige uiteenzetting verdere nuanceringen noodzakelijk zouden zijn”. Desondanks meent hij mijn ethische positie: ‘hedonistisch utilisme’ te mogen noemen. Ten eerste ben ik geen ‘utilitarist’ en in de tekst komen de termen ‘geluk’ en ‘vreugde’ zo vaak voor, dat een verwijzing naar ‘hedonisme’ hier misplaatst is; hoogstens zou men van een ‘eudaimonisme’ kunnen spreken. Maar waarom zo geleerd doen? Mag ik de collega vragen met welke van de expliciet door mij geformuleerde waarden hij het oneens is? Ik blijf bereid die tegenover iedereen te verdedigen. Wie echt een grondig inzicht wil hebben in mijn ethische opvattingen, verwijs ik naar het boek: “Een zoektocht naar waarheid” dat volgende maand zal verschijnen.

Buekens laat ook de essentiële passus weg, waaraan het hele artikel zijn relevantie ontleent. Uit die passus blijkt manifest dat ik met vele anderen: “tot de overtuiging gekomen (ben) dat het beleven van seksualiteit, wanneer dit gebeurt op vrijwillige basis, door personen die zelfstandig kunnen beslissen, geen morele afkeuring verdient wanneer daardoor niemand wordt geschaad. Alle gevallen van kindermisbruik die de media tot nu toe vermeld hebben, - behalve misschien de aantijgingen tegen Luc Versteylen - werden dus impliciet door dit artikel van 1979 veroordeeld, aangezien er van vrijwilligheid en zelfstandigheid geen sprake was.

 

Buekens laat ook de essentiële passus weg, waaraan het hele artikel zijn relevantie ontleent. Uit die passus blijkt manifest dat ik met vele anderen: “tot de overtuiging gekomen (ben) dat het beleven van seksualiteit, wanneer dit gebeurt op vrijwillige basis, door personen die zelfstandig kunnen beslissen, geen morele afkeuring verdient wanneer daardoor niemand wordt geschaad.” Alle gevallen van kindermisbruik die de media tot nu toe vermeld hebben, - behalve misschien de aantijgingen tegen Luc Versteylen - werden dus impliciet door dit artikel van 1979 veroordeeld, aangezien er van vrijwilligheid en zelfstandigheid geen sprake was.

Op twee punten was er toen onzekerheid. (a) Is het wel mogelijk dat een minderjarige op authentieke wijze zijn toestemming tot seksuele handelingen kan geven? (b) In welke mate is er, zelfs bij toestemming van de minderjarige, latere schade? In beide gevallen uitte ik hierover mijn twijfel en vermeldde ik uitdrukkelijk dat nader onderzoek op dat gebied noodzakelijk was. Mede dank zij Professor Andriaenssens, weten we hierover nu veel meer dan vroeger; en in die zin zou ik nu enkele passussen herschrijven, zoals talloze passussen in talloze wetenschappelijke artikelen van dertig jaar geleden, nu te herschrijven zijn. Maar aan mijn ethische standpunten zou ik nu niets veranderen.

Jongeren kunnen onmogelijk nog beseffen in welke mentaliteit op seksueel gebied wij zijn opgevoed, en hoe moeilijk mijn generatie een gezonde visie hierop heeft kunnen ontwikkelen. Voor mij ligt een handboek over Moraaltheologie op seksueel vlak, ten behoeve van de clerus. ‘De luxuria et castitate’ (Over de seksuele wellust en de kuisheid). Het dateert niet uit de Middeleeuwen. Het ‘Imprimatur’ (kerkelijke goedkeuring) is ondertekend door L.J. Kerkhofs, die bisschop van Luik was tot in 1961. In dat boek worden alle mogelijke seksuele ‘afwijkingen’ in detail beschreven: verboden is bvb. “concubitus cum daemone, succubo, vel incubo” (bijslaap met de duivel, een ‘onderligger’ of een ‘opligger’). In dat boek worden de vreselijke ziekten vermeld die je kunt krijgen door masturbatie en ook de methodes om die zonde uit te bannen. Ik vermeld hier alleen de meest probate middelen bij masturbatie van vrouwen: (a) clitoridectomia (vrouwenbesnijdenis; daar wordt bij vermeld dat deze behandeling volkomen onschadelijk is - omnino innoxia ). (b) Spijtig genoeg helpt dat niet altijd; dan moet men overgaan: “ad cauterisationem faciei internae vulvae” (het uitbranden van de binnenkant van de vulva) (blz. 74). We zitten hier wel in het midden van de 20ste eeuw! Eén zonde wordt niet vermeld: pedofilie.

Een adequate kennis en de aanvang van een rationele beoordeling van seksualiteit werd in die periode in brede kring verspreid door de werken van Alfred Kinsey: ‘Sexual behavior in the human male’ (1948) en ‘...in the human female’ (1953). Later kwam het boek van Shere Hite (1976) en vooral dat van Masters en Johnson (1966). Werken van die aard (ook de ‘Playboy philosophy’ die in Hefner’s blad verscheen), leidden tot intense discussies over wat nu mocht en niet mocht (de strijd voor de aanvaarding van homoseksualiteit was nog volop aan de gang), en op een bepaald ogenblik kwam ook de problematiek van de pedofilie aan de orde. Het woord had toen nog de oorspronkelijke betekenis van (erotische) kinderliefde, niet die van geweld tegen kinderen.

In de Winkler Prins van 1982 lees ik : “maatstaven bij de beoordeling of bepaalde handelingen of wensen al dan niet pedofiel zijn, zijn moeilijk te bepalen”. “Bij de beoordeling van pedofiele relaties dient te worden ingecalculeerd dat kinderen soms zelf door een sterk provocatief of verleidend gedrag weleens de belangrijkste rol spelen in het tot stand komen van het contact.” “Het is denkbaar dat de schade voor de ontwikkeling der ‘slachtoffertjes’ van pedofielen beperkt zou worden of zelfs geheel tenietgedaan, indien ons normenstelsel en het justitiële beleid zou worden gewijzigd...”

In de Encyclopaedia Britannica van 1974 las ik toen dat pedofiel gedrag zelden sadistisch agressieve aspecten vertoont: “it usually involves fondling the child or persuading the child to manipulate his genitals or engage in some degree of oral or anal sodomy”. In verband met het kind hangen volgens deze Encyclopedie mogelijke dramatische gevolgen er grotendeels van af “how old and how willing the child is...whether there is pleasure or pain”...”In some instances there are little girls who participate so actively as to be seducers.”

In Vlaanderen werd de thematiek aan de orde gesteld door het boek ‘God in Vlaanderen’ van Astère Michel Dhont (1965) een pro-pedofilieboek, waarvoor hij de ‘Arkprijs van het Vrije Woord’ en de ‘Nestor de Tièreprijs’ won.

In het stuk Snoepjes ging het uitdrukkelijk alleen over pedofielen die met instemming van de minderjarige sex hadden. In linkse milieus (maar ook in een Antwerpse katholieke werkgroep) ontstonden discussies voor en tegen; ook binnen de redactie van De Morgen. Daarom vroeg men mij er een artikel over te schrijven. Ik maakte duidelijk wat mijn standpunten waren inzake seksuele moraal, die ik nog altijd onderschrijf. Ik stelde formeel dat dwang volkomen uitgesloten moet zijn, en dat dit bij minderjarigen moeilijk te garanderen valt. Ook drukte ik mijn onzekerheid uit over nadelige gevolgen, mij baserend op artikels zoals de hierboven vermelde. Dit probleem had toen niets met de Kerk als gezagsinstantie te maken. Wel kenden wij (in de jaren ’50) op het college biechtvaders die graag met hun handen onder de (korte) broeken van jongens gingen en hoorden we dat sommigen seksueel nog actiever waren. Wij (althans de niet-slachtoffers) tilden daar toen niet zwaar aan.

Maar nu wij weten hoever dat kon gaan, hoezeer dat nagenoeg altijd op machtsrelaties gebaseerd was, en op welke ergerlijke wijze de oversten de andere kant uitkeken; nu hebben we alle recht om diep verontwaardigd te zijn. De echte pedofielen, die dat door aanleg of vroege ervaringen geworden zijn, zijn natuurlijk geen boosdoeners, evenmin als mensen met neigingen tot exhibitionisme, masochisme, enz.: ze worden dat alleen als ze aan hun neigingen toegeven op een wijze die in strijd is met de wet of met een gezond moreel aanvoelen.

Onze ergernis inzake de huidige gebeurtenissen rond de Kerk is des te meer gerechtvaardigd, daar deze misdragingen uitgingen van mensen die onschuldige kinderen met hel en duivel bedreigden als ze zich tot één enkele ‘onkuise’ aanraking bekoord voelden.