De mythen van de bijbel

Etienne Vermeersch
Giorgione

Zelfs iemand die de mogelijkheid van wonderen zou aanvaarden, stuit op zoveel anomalieën dat het gezond verstand erbij tilt slaat.

De maagdelijke ontvangenis, de sterre die stille bleef staan, de drie wijzen met hun wierook, goud en mirre. In zijn laatste boek betoogt paus Benedictus XVI dat de kerstverhalen 'werkelijke geschiedenis' zijn. Dat is niet langer houdbaar, zegt Etienne Vermeersch.

Zelfs iemand die de mogelijkheid van wonderen zou aanvaarden, stuit op zoveel anomalieën dat het gezond verstand erbij tilt slaat.

Bij de verwekking van Siddharta (de jonge Boeddha) droomde zijn moeder Maya dat hij in haar schoot binnenkwam als een wit olifantje. De hele natuur juichte: bomen en planten bloesemden, rivieren stopten met vloeien en muziekinstrumenten speelden vanzelf. Na de zwangerschap kwam het kind, pijnloos, uit haar rechterzijde te voorschijn; het kon onmiddellijk lopen en overal waar het zijn voetjes zette, ontsproot een lotusbloem.

'Toen Jezus geboren werd in Bethlehem (!), als kind van een 'maagd' uit Nazareth (!), kwamen er 'wijzen' uit het Oosten die vroegen 'waar is de pasgeboren koning der Joden? Want we hebben zijn ster gezien.' Herodes verwees hen naar Bethlehem en toen ging die ster, die even was verdwenen, weer voor hen uit en stond dan stil boven de plaats waar het kind zich bevond.' (Mt, 2)

Nooit heeft een botanist de vraag gesteld hoe die lotusbloemen onder de voetjes van Siddharta konden ontspruiten. Westerse astronomen hebben wel nagegaan of de 'wijzen' een supernova, een komeet, of een planetenconjunctie hadden gezien. Alsof zo'n 'ster' mensen kon begeleiden en dan stilstaan boven een welbepaalde plaats.

Wonderverhalen uit andere culturen zijn voor ons fantasie, maar als het om onze bijbel gaat, verliezen ook verstandige mensen elk kritisch vermogen. Dit jaar - we leven intussen in de 21ste eeuw - publiceerde Joseph Ratzinger, niet als paus, maar toch als een exegeet, 'Jezus van Nazareth / Proloog: De kinderjaren', een boek over de Kindheitsgeschichten rond Jezus. Heel vlug poog je dan te weten wat hij over de 'ster der wijzen', de daarmee verbonden 'kindermoord' en de 'vlucht naar Egypte' te vertellen heeft. Dat had kort gekund ('Het zijn legenden'), maar hij wijdt er ongeveer een vierde van het boek aan. Deze Mattheüstekst stelt problemen; dat weet hij. Toch beschouwt hij die niet als 'meditatie in een verhalende omkleding' (wat de beste, ook katholieke, exegeten nu denken). Neen, Mattheüs brengt 'werkelijke geschiedenis', schrijft Ratzinger, die theologisch geïnterpreteerd is (blz. 125-126).

Twaalf, zwanger en op reis

Nemen we als tweede illustratie van die lichtgelovigheid het verhaal van de 'Visitatie' (Lc 1, 39-56). Volgens de Joodse regels in die tijd werd de verloving van een meisje geregeld rond haar twaalfde - van Maria dus ook. Toch gaat ze na de 'boodschap van de engel' prompt haar nicht Elisabeth bezoeken in Juda. Stel u voor! In een cultuur waar vrouwen, en zeker ongehuwde, nauwelijks alleen het huis mogen verlaten, vat een zwanger meisje van twaalf jaar te voet een tocht aan van meer dan 100 kilometer, door een gevaarlijk gebied. Om daar, geïnspireerd door een bijbelpassus (1 Sm, 2, 1-10), een 'Magnificat' uit te spreken, hoewel meisjes in die tijd nauwelijks iets over de Schrift te horen kregen.

Ook dat is kenmerkend voor al die verhalen: zelfs iemand die de mogelijkheid van wonderen zou aanvaarden, stuit op zoveel anomalieën dat het gezond verstand erbij tilt slaat. Stel dat een engel inderdaad de maagdelijke ontvangenis heeft aangekondigd; dat Jozef dat dankzij een droom geloofde; dat die geboorte inderdaad plaatsvond en door engelenkoren aan herders werd verkondigd; dat een ster de 'wijzen' naar Bethlehem leidde met goud, wierook en mirre; dat Jezus' Messiaskarakter in de tempel door Simeon en Hanna werd beklemtoond; dat Jozef daarna in dromen de opdracht kreeg naar Galilea te gaan en dat 'Maria dat alles in haar hart bewaarde' (Lc 2,19). Dan is het toch vreemd dat Jozef en Maria, radeloos op zoek naar hun verloren gelopen zoon, de woorden van de toen twaalfjarige Jezus toen ze hem eindelijk terugvonden in de kerk ('Wist ge niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?') niet begrijpen? (Lc 2,50). Als al die wonderen plaatsgehad hebben, hoe kan het dan dat Jozef en Maria na twaalf jaar ouderschap nog niet doorhebben dat hun zoon eigenlijk de zoon van God is? Volgens Mc 3,21 wilden de verwanten van Jezus hem zelfs overmeesteren omdat hij uitzinnig geworden was en ook volgens Joh. 7,5 geloofden zijn broers niet in hem. De engeltjes, de herdertjes, de wijzen, de profeten in de tempel: allemaal voor niets. Het was Maria helemaal ontgaan, of ze vond het nooit de moeite waard het aan haar kinderen te vertellen.

Een obscure prediker uit Galilea

Ratzinger schijnt ook niet te weten dat er rond beroemde personages vaak een 'mythopoëtische' tendens ontstaat. Dat is de behoefte om mythen en legenden te vertellen, hetzij om de betekenis van die figuren te belichten, hetzij om te beantwoorden aan een diepmenselijke behoefte aan het wonderbaarlijke. Die koningen, profeten of heiligen verrichten in diverse culturen mirakels en bij hun geboorte en dood vinden zeldzame natuurverschijnselen plaats: aardbevingen, nieuwe sterren, kometen, zons- en maansverduisteringen of bevruchtingen door een god. Vooral in verband met godsdienst lijkt die tendens onuitputtelijk. Terecht heeft Goethe gezegd: Das Wunder ist des Glaubens liebstes Kind.

Maar met dergelijke verhalen wil men ook bepaalde stellingen onderbouwen. Na de visioenen over de verrezen Jezus beschouwden zijn leerlingen hem vrij vlug als de Messias. Maar hoe kon een obscure prediker uit Galilea op die titel aanspraak maken? Wel, als afstammeling van David! Paulus (rond 56 na Christus) kende al de traditie dat hij 'geboren is uit het zaad van David (ek spermatos Dauid)' (Rom, 1,3). Latere tradities geven de voorkeur aan een maagdelijke conceptie - die dat sperma eigenlijk uitsluit. Daarom willen Mattheüs en Lucas (rond 90 na Christus) de relatie met David bekrachtigen door de geboorte in diens stad Bethlehem te situeren. Dat gebeurt echter op stuntelige wijze. Volgens Mattheus woonden Jezus' ouders in Bethlehem - de wijzen bezoeken hen 'in hun huis' (Mt 2,11) - en na de terugkeer uit Egypte moet een engel hen aanmanen om naar Galilea te gaan. Bij Lucas wonen ze in Nazareth, maar een volkstelling van Augustus stuurde hen naar Bethlehem. Een 'volkstelling' in de stad van de voorouders (Lc 2,4) - in het geval van David ongeveer duizend jaar tevoren - is te gek voor woorden. Er is wel een 'census' in Bethlehem geweest rond 6 na Christus, maar die had betrekking op immobiliënbelasting.

Ratzingers fantasie lost dat op door aan te nemen dat Jozef in Bethlehem grond bezat (blz 73). Waarom Jezus dan in een stal geboren werd (Lc 2,7), blijft een raadsel. Lucas en Mattheüs willen hetzelfde betogen, maar met tegenstrijdige verhalen; dat bewijst hun totale ongeloofwaardigheid. Hetzelfde geldt voor de stambomen die 'vader' Jozef van David laten afstammen: die lopen nagenoeg volledig uiteen, zowel wat de namen als het aantal generaties betreft. Mijns inziens kan ook de link van Jezus' geboorte met Herodes bepaald zijn door de behoefte om hem als legitieme opvolger te beschouwen van de laatste grote koning van alle joden, de tempelbouwer.

Kortom, Jezus is niet in Bethlehem geboren en we weten ook niet wanneer. De maagdelijke conceptie vanuit God heeft biologisch ook geen enkele betekenis. Een mens heeft tweemaal 23 chromosomen, de helft van de moeder en de helft van de vader. Als Jezus een echte mens was, had hij die tweede reeks ofwel van zijn vader, ofwel via (goddelijke) genetische manipulatie. Maar hoe dan ook, codeerden die chromosomen voor de normale eiwitten. 'Goddelijke' chromosomen bestaan niet, want bij definitie is de christelijke God onstoffelijk. In de Oudheid was DNA onbekend en was zo'n geloof, hoe bevreemdend ook, niet absurd. Maar in de 21ste eeuw?

De broers van Jezus

Wat overigens opvalt aan Ratzingers boek, is wat er níét in staat. Wie het over Maria's maagdelijkheid heeft, kan er niet omheen dat volgens de katholieke leer Maria 'altijd maagd' gebleven is (semper virgo). Dat dogma vindt geen enkele grond in het Nieuw Testament en volgens Mt 12,46, Lc. 8,19, Joh 2,12 en 7,3-5 en 1Cor 9,5, had Jezus broers en volgens Mc 3,31 en 6,3 ook zusters. In Mc 6,3 en Mt 13,55 worden de vier broers met naam genoemd. Eén ervan, Jacobus, speelde een belangrijke rol in de vroege kerk en Paulus (Gal 1,19) noemt hem 'broeder van de heer'. Ook de joodse geschiedschrijver Flavius Josephus (Ant 20, 200) zegt dat in 62 Jacobus, 'de broeder van Jezus die Christus wordt genoemd', gestenigd werd.

De opwerpingen tegen deze vaststelling zijn tot in den treure ontkracht. Vreemd dat een paus het niet passend vindt hierop in te gaan.

Zo komen we tot de vraag: is Ratzinger dom of onwetend? In mijn optiek niet. Hij vertrekt wel van een onwrikbaar geloof in de betrouwbaarheid van de Heilige Schrift en de waarheid ervan moet, zo nodig, op spitsvondige wijze worden verdedigd. Er zijn katholieke exegeten die de problemen oplossen door een diepere boodschap te onderscheiden van een tijdsgebonden mythe of legende. Ratzinger kan dit niet. Vreemd, maar enig respect is toch geboden.

Een tweede vraag betreft de wijze waarop onze cultuur, traditioneel van het christendom doordrenkt, met deze 'ontmythologisering' moet omgaan. In mijn optiek moeten we de strikt wetenschappelijke waarheidsvraag onderscheiden van mythen, riten en andere culturele uitingen die door een op zich waardevolle traditie gedragen worden. Händels Messiah ('For unto us.') en Bachs Weihnachtsoratorium ('Grosser Herr und starker König...') verliezen niets van hun waarde door mijn opmerkingen hierboven. 'Vrede aan alle mensen die van goeden wille zijn' blijft een zinvolle boodschap, ook al is het een foute vertaling.

En ook van de kerststalletjes en 'Stille Nacht' en van de Mariabeelden 'Waar men gaat langs Vlaamse wegen' hoeven we geen afstand te doen, zolang die riten en gebruiken vreugde en samenhorigheid onder de mensen bevorderen.