Etienne Vermeersch

Volgens Wouter Verschelden is het boerkaverbod een domme beslissing geweest. Dirk Verhofstadt en Etienne Vermeersch gaan in de verdediging. Verhofstadt is doctor in de moraalwetenschappen, Vermeersch is filosoof. Vorig jaar verscheen hun boek 'Dirk Verhofstadt in gesprek met Etienne Vermeersch. Een zoektocht naar waarheid'.

Wouter Verschelden keert zich tegen de wet op het boerkaverbod in de publieke ruimte. Het is volgens hem in strijd met de vrijheid van religieuze expressie. Dit getuigt van een fout inzicht in de grondslagen van ons democratisch samenlevingsmodel, maar ook van een capitulatie tegenover denkbeelden en praktijken die wars zijn van een humane visie op het statuut van de vrouw.

De godsdienstvrijheid houdt niet in dat elke gedragsvorm zonder meer aanvaardbaar is. Wie vindt dat elke individuele meningsuiting via het gedrag, hoe buitenissig ook, door de mensenrechten beschermd wordt, zou ook nudisme in alle openbare ruimten moeten aanvaarden, als uiting van een naturistische ideologie. Zelfs het aan een ketting houden van mensen op straat, met instemming van de betrokkenen, zou dan aanvaardbaar moeten zijn wegens een uiting van een SM-levensbeschouwing. Kortom, zodra voldoende ernstige argumenten tegen een publieke uiting in taal, beeld of gedrag bestaan, vormt een algemene verwijzing naar vrijheid van godsdienst of meningsuiting geen tegenargument. Voor het boerkaverbod in de openbare ruimte zijn er zeker afdoende argumenten.

Het dragen van gezichtsbedekking in de publieke ruimte is een aantasting van de menselijke waardigheid en aldus in strijd met de rechten van de mens. Eén van de kernwaarden van de mensenrechten is immers de principiële gelijkheid van alle mensen. Op dat recht kunnen alle mensen aanspraak maken, maar dat houdt in dat iedereen de plicht heeft dat recht bij de andere te erkennen. Dat heeft tot gevolg dat er wederkerigheid moet bestaan in de contacten van mens tot mens in de openbare ruimte. Als een persoon mijn gezicht kan kennen en herkennen, heb ik het recht ook het gezicht van die persoon te kennen. Wie mij die herkenning weigert, onttrekt zich aan het normale intermenselijke contact en tast mijn menselijke waardigheid aan.

Het gaat ook om een principe van openbare orde: het verbergen van het gezicht vormt een mogelijk maatschappelijk gevaar. Het herkennen van de daders van onwettelijke of immorele handelingen en vijandige uitingen wordt erdoor onmogelijk gemaakt. Ook het opsporen van misdadigers door het verspreiden van robotfoto's of signalementen zou dan weinig zin meer hebben. Bij carnavalsfeesten is wel een masker toegelaten, maar binnen een duidelijk beperkte ruimte en tijdspanne.

In de traditionele streng islamitische interpretatie symboliseert dit type van sluier dat de vrouw exclusief aan haar man toebehoort. Niet alleen voor wat betreft de intieme relatie, maar ook in verband met haar hele persoonlijkheid. Vanuit een moderne humane visie op de menselijke relaties is dat een onaanvaardbare discriminatie. Het feit dat men enkele vrouwen vindt die vrijwillig een boerka dragen, is irrelevant: er zijn ook masochistische vrouwen die in een relatie slavin-meester willen leven. Dat is geen argument om het verbod op slavernij op te heffen. Daarbij komt dat de islam de boerka niet oplegt. Sinds de hervormingsbewegingen van rond 1900 wordt deze sluier door de grote meerderheid van de moslims van zowat alle rechtsscholen niet meer als een godsdienstige plicht beschouwd. Zelfs de Al Azhar-universiteit, de meest gezaghebbende van de islam, verbood onlangs vrouwen met een nikab de universiteit te betreden. Het inroepen van de godsdienstvrijheid is hier dus ongegrond.

Hoewel er vrouwen zijn die beweren de gezichtsbedekking vrijwillig te dragen, verandert dit niets aan het feit dat dit in vele gevallen gebeurt onder morele dwang van de echtgenoot of de omgeving. Deze dwang zal toenemen naarmate het aantal nikabs en boerka's toeneemt. Er bestaat geen enkel middel om die dwang uit te schakelen of te detecteren. Alleen een algemeen verbod kan zo'n aantasting van de menselijke vrijheid uitschakelen. Eva Brems beweert niet 'fijntjes' maar 'dommetjes' dat een vrouw niet kan worden bevrijd door dingen te verbieden. Geldt het bevrijdend verbod op kinderarbeid en huwen voor 16 dan niet voor meisjes? Ook op vrouwen is de visie van Lacordaire van toepassing: "Entre le fort et le faible, c'est la liberté qui opprime et la loi qui affranchit". Wie zich tegen het boerkaverbod keert, kiest voor de verdrukking van zwakke medemensen.