Artikel
Etienne Vermeersch
Etienne Vermeersch & Bobbejaan Schoepen

Etienne Vermeersch over zijn vriendschap met vader en zoon Schoepen en vraag of de appreciatie voor kunst en muziek volstrekt subjectief is, of dat je er toch objectieve criteria voor kunt vinden.

Uiteraard kende ik Bobbejaan Schoepen zoals de meeste mensen hem kenden, als de succesvolle zanger, jodelaar en fluiter van tijdens mijn jeugd. Voor mij was hij de man van ‘Ik zie zo gere mijn duivenkot’.

Komisch dat ik hem uitgerekend door dat nummer later heb leren kennen. Tijdens een van mijn colleges filosofie was er op gegeven ogenblik discussie over de vraag of de appreciatie voor kunst en muziek volstrekt subjectief is, of dat je er toch objectieve criteria voor kunt vinden. Sommige studenten waren van mening dat kunstbeleving per definitie subjectief is. Waarop ik repliceerde dat er toch objectieve criteria moesten zijn om ‘Mache dich, mein Herze, rein’ uit Bachs Mattheuspassie boven Bobbejaans ‘Duivenkot’ te kunnen plaatsen. Na de les kwam er een student naar me toe, die zei: “Professor, u hebt me diep beledigd. Bobbejaan Schoepen is mijn vader.” Uit die ontmoeting groeide tussen Tom Schoepen en mij een mooie vriendschap.

Zes jaar geleden nodigde Tom het bestuur van SKEPP, waar hij net als ik lid van is, uit naar Bobbejaanland. Diezelfde dag werd ik voorgesteld aan Bobbejaan. We begonnen te praten, en het klikte. Ik vroeg hem of ik een lied voor hem mocht zingen. Ik zette in met ‘Quand nous en serons au temps des cerises.’
Hij haalde zijn mondharmonica boven, begon me te begeleiden, en zong toen zelf de tweede strofe. Het was een magisch moment. Dat nummer staat op zijn laatste plaat, in duet met Geike Arnaert.
'Le temps des cerises' is een prachtig 19de-eeuws strijdlied over de liefde, dat door dichter Jean-Baptiste Clément in 1871 op de laatste dag van het bloederige einde van de Commune van Parijs, werd opgedragen aan la vaillante citoyenne Louise. Zij was verpleegster op de barricaden, waar ook de dichter strijd leverde tegen het regeringsleger.
De laatste strofe luidt: ‘J’aimerai toujours le temps des cerises, c’est de ce temps-là que je garde au coeur, une plaie ouverte!’ Dat is toepasselijk op het liefdesverdriet waar de dichter het over heeft, maar historici die de Parijse Commune bestudeerd hebben, denken daarbij ook aan de slachting waarmee de regeringstroepen de Commune uit elkaar hebben geslagen. Een heel mooie ambivalentie is dat.

Veel artiesten hebben dit nummer ooit gezongen. Patrick Bruel, onder andere, en Yves Montand. Bobbejaan Schoepen moet het ook vaak gezongen hebben, want hij kende het nog perfect uit het hoofd. Het illustreert wat een versatiel, buitengewoon man hij was. Zo veel meer dan een zingende cowboy. Hij had naast de kolder ook ernst in zich, een man met serieuze capaci- teiten op zeer veel gebieden.

Het doet me wat dat Bobbejaan Schoepen gestorven is. Een mens sterft altijd te vroeg, maar dankzij de liefdevolle zorgen van zijn familie heeft hij een prachtige oude dag beleefd. Mooi ook hoe de laatste jaren de artiest opnieuw de overhand kreeg op de zakenman en pretparkbaas. Het is een droevig afscheid, maar ik denk met sympathie aan hem terug.

En wat die objectieve criteria voor kunst betreft: ik vind nog altijd dat die er zijn, maar meen tezelfdertijd dat elke vorm van kunstenaarschap binnen het eigen kader bekeken moet worden. ‘Zie ik de lichtjes van de Schelde’ is in zijn genre een bijzonder mooi lied, hetzelfde geldt overigens voor ‘Le temps des cerises’. Die nummers hebben hun charme, hun poëzie en hun waarde. Bobbejaan laat een betekenisvolle muzikale erfenis na.