Etienne Vermeersch

Om de problematiek van de zogenaamde multiculturele maatschappij te behandelen, moet ik een beetje schoolmeesterachtig beginnen en een aantal begrippen duidelijk vastleggen. Ten eerste het begrip cultuur. Die term heeft tenminste drie verschillende betekenissen, die alle drie geregeld worden gebruikt.

Cultuur

(a) Je hebt het begrip cultuur in de algemene betekenis van het woord, zoals wanneer men zegt: "cultuur is iets wat de mensen van de dieren onderscheidt", of de vraag stelt: "wat is de relatie tussen cultuur en natuur?".

(b) Maar, zoals je naast "taal" in de algemene betekenis (bijvoorbeeld "is denken mogelijk zonder taal?"), ook over specifieke talen kunt spreken: het Engels, het Chinees enzovoorts, moet je ook in verband met "cultuur" een onderscheid maken tussen dat algemene begrip en "een specifieke cultuur", zoals "de Japanse cultuur", de "Kwakiutl-cultuur", enzovoorts.

(c) Een derde betekenis duiden we hier aan door een hoofd letter te gebruiken: bijvoorbeeld "er moet meer overheidsgeld besteed worden aan Cultuur".

Om methodologische redenen beginnen we met een definitie van wat "cultuur" in het algemeen is, om daarna de begrippen "een cultuur" en "Cultuur" nader te preciseren. Het algemene begrip cultuur stelt men zich in een eerste benadering best voor als een verzameling: "de verzameling van alle culturele fenomenen of objecten ("entiteiten")". Een vrij gang aar criterium om die verzameling te omschrijven bestaat erin dat men de karakteristieken van de mens die louter biologisch bepaald zijn natuurlijk noemt en die welke door de mens gemaakt zijn: cultureel. Chinezen drinken geen melk. Is dat een cultureel fenomeen? Als er biologisch erfelijke kernmerken zijn die dat bepalen, neen; als het via de opvoeding tot stand komt: ja. Een nauwkeuriger formulering van de definitie luidt als volgt:

"Cultuur is de verzameling van die fenomenen of objecten die door de mens vorm gekregen hebben."

Dit kenmerk heeft onder andere tot gevolg dat men culturele entiteiten aan anderen kan doorgeven, omdat anderen dezelfde vorm kunnen leren herkennen en nabootsen. We kunnen dat criterium verder verfijnen door het begrip vorm nader te definiëren; we hebben dit elders gedaan, maar hier zou het teveel tijd en aandacht vragen.1 Nu we een criterium geformuleerd hebben, is het voor een dieper inzicht ook nuttig, een opsommende definitie te geven. Wat zit er allemaal in, in die verzameling van culturele fenomenen of objecten? Een algemeen overzicht daarvan omvat: (1) mentale inhouden. (2) gedragspatronen, (3) vaardigheden, (4) producten en (5) instellingen.

(1)Mentale inhouden zijn van cognitieve, evaluatieve en normatieve aard.

(a) tot de cognitieve inhouden behoren: wijzen van perceptie en begripsvorming, kennis (bijvoorbeeld wetenschap), denkbeelden (zoals mythen, godsdienstige systemen), overtuigingen (al dan niet correcte, zoals opvattingen over wetmatigheden in de wereld); (b) evaluatieve inhouden zijn onder andere attitudes (bijvoorbeeld afkeer van vreemdelingen), voorkeuren (op gastronomisch, esthetisch, enzovoorts gebied), wijzen van aanvoelen (bijvoorbeeld nadruk op eergevoel); (c) normatieve inhouden zijn de waarden en normen (vrijheid, gelijkheid, "gij zult niet stelen" …).

(2)Tot de gedragspatronen behoren:

(a) strikt individuele gebruiken, die men in het Engels habits noemt ( bijvoorbeeld de wijze waarop moeders hun kind dragen; voedings- en slaapgewoonten…); (b) collectieve gebruiken (customs) die men in groep beleeft (feesten, stoeten, dansen, rituelen, godsdienstige plechtigheden …).

(3)De vaardigheden kan men onderscheiden in:

(a) de communicatiemethodes: taalgebruik, expressie, omgang met symbolen, het schrift en de moderne ITC; (b) de technieken, waaronder lichaamstechnieken (zwemmen, goochelen, yoga …) en vooral — een van de belangrijkste domeinen van het culturele —: het gebruik van werktuigen en machines (bij werktuigen dient het lichaam als energiebron, bij machines is er een eigen energiebron); daarbij rekenen we, niet te vergeten, het gebruik van wapens.

(4)Tot de culturele objecten behoren ook producten van menselijke activiteit:

(a) de zogenaamde materiële producten: de hierboven vermelde werktuigen en machines; gebruiksvoorwerpen; de artistieke objecten zoals gebouwen, schilderijen, beeldhouwwerken. (b) de zogenaamde immateriële producten (ik heb daarvoor een sluitende, niet negatief geformuleerde definitie, die ik binnen dit tijdsbestek niet kan uitleggen): verhalen, gedichten, muziekstukken, films, tv-programma's ….

Sommige onder (1), (a) vermelde inhouden behoren in hun gesproken of geschreven vorm ook tot (4).

(5) De instellingen of instituties omvatten:

(a) de politieke organisatie met staten; statenbonden; deelstaten; de Verenigde Naties, enzovoorts; (b) de maatschappelijke organisatie via rechtssysteem; eigendomssysteem; huwelijkssysteem, muntsysteem, godsdienstige organisaties, kerken, verenigingen, enzovoorts.

Uit een aandachtig bekijken van deze nogal gebalde, maar toch exhaustieve opsomming van de culturele objecten, blijkt al heel vlug dat, als je de verschillen zou nagaan op al deze gebieden, tussen de Nederlandse maatschappij van de vijftiende eeuw en die van de eenentwintigste eeuw, je zou merken dat er een enorme kloof gaapt: daartegenover zijn de verschillen op het vlak van cultuur tussen bijvoorbeeld een bakker, een bankbediende, een arts, van Turkse of van Nederlandse afkomst, heel gering. Maar ik kom daarop terug. Dit brengt ons tot de vraag hoe we een cultuur (een specifieke cultuur) definiëren: de Japanse, de Hopi of de Nederlandse cultuur. Het antwoord is nu eenvoudig:

"een cultuur is de verzameling van culturele fenomenen, (objecten, entiteiten), die gangbaar zijn binnen een gemeenschap van mensen."

Uit de totale verzameling van alle mogelijke culturele objecten kiest een bepaald volk, een bepaalde kaste of een bepaalde subgroep in de maatschappij, (de maffia bijvoorbeeld), een deelverzameling die hen eigen is. Culturen kunnen elkaar overlappen: de Europese cultuur is gemeenschappelijk aan Fransen en Nederlanders, hoewel die op een aantal gebieden (bijvoorbeeld taal, literatuur) een eigen cultuur vormen; de katholieken van beide landen hebben dan weer als katholieken een eigen stuk cultuur. Terloops geef ik nog een definitie voor dat andere begrip: "Cultuur" met een grote C. Dat is een deel van de algemene verzameling, namelijk "de menselijke creaties op het intellectuele, artistieke en amusementsdomein". Ik ga daar nu niet verder op in.

Waarde van culturen

Als je de wereld bekijkt, zo'n driehonderd jaar geleden, dan had je, over de aarde verspreid, een aantal volkeren of naties, die gekenmerkt waren door een eigen cultuur: een eigen keuze uit de verzameling van mogelijke culturele objecten. Zo hadden ze karakteristieke "mentale inhouden", over de vraag hoe de wereld in elkaar zat, of de aarde al dan niet rond de zon draaide, waar de dieren en de mensen vandaan komen, hoe ziekten ontstaan, enzovoorts. De antwoorden vonden ze in mythen, godsdienstige leerstellingen, opvattingen over magische krachten, wetenschap, wijsbegeerte, enzovoorts. Een vergelijkbare diversiteit gold voor de "gedragspatronen", "vaardigheden", "producten" en "instellingen". Een eerste vraag die men daarbij kan stellen, is: "waren al die culturen, te situeren in bijvoorbeeld de zestiende en zeventiende eeuw, gelijkwaardig?". Volgens mij niet. Men zegt soms wel: iedere cultuur heeft zijn eigen waarde; en tot op zekere hoogte is dat ook zo: alle culturen die tot het gevolg hebben dat de maatschappij die ze karakteriseren behoorlijk functioneert, en vooral zichzelf niet te gronde richt, hebben tenminste in dat opzicht een vergelijkbare waarde. Maar naast dit basiscriterium kun je er nog andere invoeren. De cultuur van een maatschappij die bijvoorbeeld een hogere gemiddelde levensverwachting heeft, zal men in algemene regel beschouwen als een enigszins superieure cultuur. Evenzo, als er minder kindersterfte is, een betere bevrediging van de basisbehoeften voor alle leden, enzovoorts Het is niet moeilijk om aan te tonen dat de westerse cultuur van de tweede helft van de twintigste eeuw veel hoger staat dan die van de zestiende eeuw. De gemiddelde levensduur is langer, we kunnen efficiënter pijn en ziekten bestrijden, de voeding en de hygiëne zijn beter, en zo zijn er nog een hele reeks criteria om de superioriteit van de ene boven de andere te verdedigen. (Dergelijke criteria zijn niet absoluut maar je kunt er wel een brede consensus over bereiken.)

Zoals je vergelijkingen over de eeuwen heen kunt maken, kan dat ook tussen culturen binnen een zelfde periode. Als je aanneemt dat culturen waarin de wetenschappelijke kennis ruim verspreid is, superieur zijn tegenover die waarin dit niet het geval is (en er zijn goede redenen om dat te denken, vooral als de meeste overige factoren gelijkwaardig zijn), dan is bijvoorbeeld de Amerikaanse cultuur (Verenigde Staten) minderwaardig vergeleken bij de Europese, want de helft van de Amerikanen aanvaardt de evolutietheorie niet. Ook op andere punten hinkt die cultuur achterop, zoals het toepassen van de doodstraf op minderjarigen. Zolang men goede argumenten heeft en niet de bedoeling individuen te beledigen, is er niets verkeerds aan de uitspraak dat een cultuur superieur is aan een andere (zeggen dat een cultuur "achterlijk" is, of "achterlijker" dan de andere, betekent ongeveer hetzelfde, maar het klinkt meer denigrerend).

Evolutie van culturen

Sinds de achttiende, negentiende en vooral de twintigste eeuw, is er in het Westen een merkwaardig systeem ontstaan dat ik in mijn boek De ogen van de panda het WTK-bestel genoemd heb. Dat is het Wetenschappelijk Technologisch Kapitalistisch bestel. In het Westen is, eerst in Griekenland, daarna in Italië, Vlaanderen, Nederland en dan over de rest van Europa, de wetenschap ontstaan. Aanvankelijk was dat hoofdzakelijk de wiskunde, in de zeventiende eeuw de natuurkunde, en dan, in het spoor daarvan, zijn de overige moderne wetenschappen gevolgd, die zich verder ontplooid hebben in de achttiende en negentiende eeuw en die in de twintigste eeuw een onvoorstelbare vlucht namen, met een exponentiële groei. Vanaf 1300 ongeveer kent in het Westen ook de technologie een snelle ontwikkeling. Je hebt bijvoorbeeld de uitvinding van brillen, dan het kanon, wat ontzaglijke implicaties gehad heeft voor de chemie, de metallurgie, de mijnbouw, enzovoorts. Vanaf de zeventiende eeuw, maar vooral in de achttiende en negentiende eeuw ontstaat een sterke interactie tussen wetenschap en technologie. De wetenschappelijke vondsten bevorderen de techniek en de technologische resultaten maken weer nieuwe wetenschappelijke vondsten mogelijk. Deze vooruitgang vindt plaats in het kader van een vorm van economie die wij het kapitalisme noemen. Dat is gekenmerkt door het feit dat de kapitalist een gedeelte van zijn winst niet verbruikt maar opnieuw investeert; aanvankelijk in koopwaar, daarna in productiemiddelen om dan weer meer te produceren, te investeren, enzovoorts. Dankzij de ontwikkeling van de technologie, later in interactie met de wetenschap, worden de producten en productiemiddelen efficiënter, waardoor de investeringen telkens weer meer opbrengen. Sinds de twintigste eeuw is de motoriek van die drie in een zo intense interactie geraakt dat een totaalsysteem ontstaan is, dat aanvankelijk de westerse wereld grondig hervormd heeft en dat zich nu over de hele aarde verspreidt en op weg is de wereld radicaal te veranderen in de richting van een gelijkschakeling en unificatie. Dat WTK-bestel (wetenschappelijk, technologisch, kapitalistisch), geeft blijk van een verbluffende efficiëntie en vooral dát verklaart de onstuitbare expansiedrang naar wat men nu "globalisering" noemt. Het bestel heeft zeker ook nadelen, maar daar ga ik nu niet nader op in.
Men beseft onvoldoende dat de wetenschap, de techniek en de economie, die typisch zijn voor dit bestel, op onontkoombare wijze grote gedeelten van wat we "cultuur" noemen, grondig verandert. Oude denkbeelden over de wereld en de mens, over ziekte en gezondheid, over magie, mythen, wonderen en goden, worden erdoor weggeveegd. Attitudes, voorkeuren en wijzen van aanvoelen veranderen evenzeer. De behoeftepatronen zijn nu vooral gericht op de producten van dit bestel, ook de meest banale, zoals Coca Cola of MacDonalds. Dat betekent dat een groot deel van het eerste segment van cultuur: de mentale toestanden, gewijzigd en één gemaakt wordt.

Hetzelfde geldt voor de vaardigheden. Oude communicatiemedia en symboolsystemen verdwijnen; nieuwe symboolsystemen, analoge of digitale, komen in de plaats, met een reproductiewijze in ruimte en tijd die op zichzelf bijdraagt tot de gelijkschakeling van de culturen in een groot aantal aspecten. De oude werktuigen en machines zijn voorbijgestreefd en overal nemen producten van het WTK-bestel de plaats in van de traditionele verbruiksgoederen. — Terloops, niet alleen productie middelen worden vervangen; de destructiemiddelen (wapens) verspreiden zich nog sneller —. Tussen die vaardigheden, producten en productiemiddelen bestaan onderlinge relaties en ook de mentale inhouden worden erdoor beïnvloed (dat heeft Marx al beklemtoond). Men zegt dat de Indianen in Zuid-Amerika zoveel van het oerwoud houden; stop die Indianen een kettingzaag in de hand; toon ze aan hoe ze daarmee geld kunnen verdienen en ze zagen het hele oerwoud om! In het spoor van de nieuwe mogelijkheden en de nieuwe gevaren voor het sociaal leven, worden ook de instellingen aan het omvormingsproces onderworpen.
Er zit dus heel wat fictie in het spreken over culturen, alsof deze statische gehelen waren die nauwelijks aan verandering onderhevig zijn. Wie over de Japanse cultuur spreekt, moet beseffen dat die van thans totaal verschilt van die van vóór de industrialisering. Hetzelfde geldt voor de Chinese, de Arabische of de Europese cultuur. Die groeien allemaal naar elkaar toe, soms wat sneller, soms wat trager. Men kan die teleurgang van de diversiteit betreuren en in bepaalde opzichten is dat inderdaad een verlies. Maar ten dele is die ontwikkeling ook positief, want sommige belangrijke waarden en normen worden zo mede verspreid. Zodra mensen dezelfde wetenschappelijke inzichten hebben over wereld en mens en dezelfde behoeften krijgen, beseffen ze ook dat ze in wezen gelijk zijn. Zo wordt de waarde van gelijkheid van alle mensen door het WTK-bestel versterkt en meer bepaald ook de gelijkheid van man en vrouw, de groeiende mondigheid van kinderen, enzovoorts. Ook de grote godsdiensten ondervinden zware moeilijkheden. Indien ze in een rationele wereld, waarin de rol van de wetenschap centraal staat, het hoofd boven water willen houden, dan moeten ze hun systeem van begrippen en "waarheden" aanpassen. Binnen het christendom zijn er theologen en intellectuelen die dat in grote mate realiseren, maar voor een deel van de gelovigen is dat te hoog gegrepen: zoiets moet uiteraard tot wrijvingen en conflicten leiden. De islam heeft het in dat opzicht heel moeilijk en dat verklaart dat we naar een "botsing van culturen" lijken te gaan (waarbij iedereen wel gretig de wapens van het WTK-bestel zal gebruiken). De moslims zitten met het probleem dat de koran het eeuwige woord van God is. In het christendom heeft men over de bijbel altijd gezegd dat er een schrijver als tussenpersoon fungeerde; dat liet gemakkelijker toe te zeggen dat die schrijver tijdsgebonden elementen had ingebracht. Voor de koran is zoiets misschien ook mogelijk; maar het valt moeilijker daarvoor een ruim aanvaarde theorie te vinden.
Hoe dat ook evolueert, in verband met traditionele culturen komt mijn betoog erop neer dat we af moeten stappen van de ideologische gedachte, dat de culturen sowieso hun eigenheid moeten bewaren. Overigens kan dat niet: als die culturen op het cognitieve vlak fout waren (bijvoorbeeld dachten dat de aarde zesduizend jaar geleden ontstaan is), moeten ze dat toch niet per se verder blijven denken! Als ze fout waren over de geneeswijze van een bepaalde ziekte en bijvoorbeeld vaccins afwijzen, kun je toch niet aanvaarden dat grote delen van de wereld, als een soort Staphorst, broeinesten van besmettelijke ziekten blijven! Op zeer veel gebieden, op het cognitieve vlak, op het vlak van de gedragspatronen, van de vaardigheden, de producten en de instellingen, zullen de diverse culturen zich willens nillens aanpassen.

'Vermeersch: "We moeten stappen van de ideologische gedachte dat de culturen sowieso hun eigenheid moeten bewaren."

Hiermee verklaar ik mij geen tegenstander van het behoud van culturen. Maar men moet wel een onderscheid maken. In de meeste van die culturen zaten interessante elementen: hier en daar hebben ze wel levensvormen en aspecten van het omgaan met de wereld gevonden waar iedereen iets van kan leren. Maar vaak zitten daar negatieve elementen mee vervlochten. Op grond van "respect voor culturen" kun je toch niet de infibulatie van vrouwen in Oost-Afrika, de slavernij, ondergeschikte positie van de vrouw, kinderarbeid enzovoorts goedkeuren? Men zegt soms dat dergelijke redeneringen "eurocentrisch" zijn: de mensenrechten zouden dan in wezen de waarden van het Westen uitdrukken. Maar wie zegt dat die mensenrechten westerse waarden zijn, kent de westerse geschiedenis niet. Die is gekenmerkt door gruwelijke vormen van slavernij, oorlog, onderdrukking, achterstelling van de vrouw en ga zo maar door. De mensenrechten zijn geen westerse waarden; ze zijn stilaan gegroeid uit denkbeelden die in uiteenlopende culturen zijn ontstaan en die hun systematiek en rationele fundering gekregen hebben bij enkele denkers in de loop van de achttiende eeuw: het zijn de waarden van de Verlichting. Sommige van die waarden zijn eeuwenoud en niet typisch voor het Westen. De Gulden Regel: "doe een ander niet aan wat je niet wilt dat een ander jou aandoet", bestond in China reeds in de vijfde eeuw v.Chr. De liefde en de zorg voor de medemens, vooral voor de lijdende medemens: "de hongerigen spijzen, de dorstigen laven, de naakten kleden" is een centrale waarde in het Egyptische Dodenboek (achttiende eeuw v.Chr.).


In een aantal aspecten moeten alle culturen dus sowieso veranderen, met name in de richting van de cognitieve inhouden die de wetenschappen voorhouden en de ethische inhouden die samenhangen met de mensenrechten. Die noodzaak van verandering geldt zowel voor de westerse culturen als voor de andere: overal is zowel op cognitief als op ethisch vlak nog heel wat te verbeteren. < /p> Daar staat tegenover dat op andere gebieden het bewaren van de diversiteit heel belangrijk is. Dat geldt voor alles wat de verschillende culturen hebben voortgebracht aan Cultuur met een grote C: aan verhalen, liederen, dansen, spreuken, gebouwen, beelden …; kortom de artistieke en intellectuele producties zowel van de geletterde als van de niet-geletterde culturen. Het zou een onnoemelijk verlies zijn voor de mensengemee schap als deze grote culturele scheppingen verloren zouden gaan. Maar men moet ook beseffen dat van sommige volkeren, zoals onder anderen de Inuit (eskimo), de cultuur nagenoeg volledig zal verdwijnen. Die cultuur was erop gericht om met een bijzondere vorm van sociale organisatie en met een specifiek arsenaal van werktuigen en technieken te overleven in het hoge Noorden. Tegenover de superioriteit van de WTK-technieken moet het traditie het echter afleggen. Voor de Eskimojeugd van nu is een motorboot, een harpoengeweer, zoveel efficiënter dan de traditionele middelen. Maar via die technische verandering zal ook gaandeweg het hele cultuurpatroon dat samenhing met de vroegere levensvorm, verdwijnen. De moderne media, zoals tv, zorgen daarbij ook voor het wegspoelen van de traditionele gedachte- en verbeeldingswereld. Hoe spijtig we dat ook vinden, door de druk van het WTK bestel zal van sommige culturen bijna niets en van andere slechts een beperkt restant overblijven.

Vermeersch: "De mensenrechten zijn geen westerse waarden; ze zijn stilaan gegroeid uit denkbeelden die in uiteenlopende culturen zijn ontstaan en die hun systematiek en rationele fundering gekregen hebben bij enkele denkers in de loop van de achttiende eeuw: het zijn de waarden van de Verlichting. Sommige van die waarden zijn eeuwenoud en niet typisch voor het Westen."

Multiculturaliteit

Deze vaststellingen kunnen ons helpen om beter in te zien wat men met termen zoals "multiculturaliteit" en "interculturaliteit" kan bedoelen. Tot op zekere hoogte is de wereldgemeenschap nog steeds een multiculturele samenleving. Ook al hebben de culturele elementen van het WTK-bestel in nagenoeg alle maatschappijen grondige wijzigingen aangebracht, toch is er in veel landen nog een relatief samenhangend patroon overgebleven, vooral op het gebied van taal, godsdienstige gebruiken, omgangsvormen en "Culturele" creaties. Men mag, zoals hierboven vermeld, hopen dat, behalve op het stuk van wetenschap en universele waarden, deze diversiteit zal blijven bestaan. Het probleem dat zich rond de term "multiculturaliteit" meestal stelt, heeft betrekking op de mogelijkheid om binnen één maatschappij verschillende culturen naast elkaar te laten bestaan. In een eerste benadering is zoiets onzin. Kan een eskimo gemeenschap in Nederland of België de Inuitcultuur in stand houden? Uiteraard niet! Kan de Toearegcultuur, die goed aangepast is aan het leven in de Sahara, hier bestaan? Absurd! Dat zijn inderdaad extreme voorbeelden; maar tot op zekere hoogte geldt deze onverenigbaarheid ook voor de Berbercultuur van Marokko en voor de cultuur van mensen die afkomstig zijn uit afgelegen rurale gebieden in Turkije. De traditionele denkbeelden, werkwijzen, gedragingen, sociale relaties, eigendomsrelaties, consumptiegebruiken, die alle tot het geheel van die cultuur behoorden, kunnen in hun samenhang niet functioneren buiten het aardrijkskundig en maatschappelijk milieu waarin ze zijn ontstaan en waaraan ze zijn aangepast.


In deze context gezien, is het problematisch wat mensen bedoelen als ze zeggen dat we "in een multiculturele samenleving wonen", of "naar een interculturele samenleving moeten streven". Immers, wanneer men daarmee bedoelt dat complete culturen door elkaar heen kunnen bestaan, dan is dat uiteraard waanzin. Een "interculturele" samenleving bestaande uit de Toeareg- en de eskimocultuur is intrinsiek onmogelijk. Deze bewering is evident, maar lijkt niet erg toepasselijk op onze concrete problemen. Een nadere analyse ervan maakt echter duidelijk dat binnen een welbepaalde, geografisch omschreven maatschappij, en bij een bepaald niveau van ontwikkeling van het WTK-bestel, het grootste gedeelte van de cultuurelementen gemeenschappelijk is en dat bepaalde groepen zich slechts in een beperkt segment van de verzameling van de culturele objecten van de andere kunnen onderscheiden.


Maar zodra we het erover eens zijn dat multiculturaliteit slechts op enkele terreinen kan bestaan, volgt onmiddellijk de vraag of, en op welke gebieden, deze diversiteit gewenst is. In een moderne maatschappij, waarin communicatie een overweldigende rol speelt, is het vooreerst gewenst dat men een gemeenschappelijke taal spreekt en schrijft. In sommige maatschappijen van grote omvang kan een diversiteit van talen bestaan, onder voorwaarde dat er een algemene verkeerstaal, een lingua franca is, zoals het Swahili in Oost-Afrika en gedeeltelijk het Engels in India. In kleinere gemeenschappen biedt het grote voordelen dat de landstaal die gemeenschappelijke taal is. Echte tweetaligheid is vrij zeldzaam en daarom is het noodzakelijk dat voor alle jongeren de volledige beheersing van die landstaal een volstrekte prioriteit heeft. Maar dat heeft onvermijdelijk tot gevolg dat de huistaal (van de oorspronkelijke cultuur) vanaf de tweede generatie op het achterplan raakt. Een tweede wezenlijke factor om iedereen de kans te geven optimaal in het maatschappelijk leven te functioneren, is het onderwijs. Door dat onderwijs krijgen kinderen van allochtonen vanzelf toegang tot een geheel van inzichten over de wereld en de mens die niet stroken met de opvattingen van hun voorouders of zelfs hun ouders. Dat onderwijs en het maatschappelijk functioneren brengen hen ook in contact met een reeks waarden, die niet altijd sporen met die van hun ouders. De waarden bijvoorbeeld van de universele gelijkheid van de mens, van de autonomie van het individu in het vormen van zijn inzichten en het kiezen van zijn levenswijze: die leren ze hier. (Overigens worden in die maatschappelijke omgang ook attitudes en waarden bijgebracht die helemaal niet positief zijn, zoals de onstuitbare behoefte om deel te hebben aan de consumptiegoederen van het WTK-bestel.)

Ik herhaal: binnen de discussie over "multiculturaliteit" is de centrale vraag niet of verschillende culturen hun eigenheid moeten bewaren, maar eerder welke aspecten van de traditionele cultuur eventueel nog enige bescherming verdienen en welke zeker niet. Realisaties op het Cultureel vlak en ook de eet- en feestcultuur, worden door niemand betwist en verzinken qua succes overigens in het niet, vergeleken bij de Angelsaksische inbreng. Voor het overige zijn het uiteraard de allochtonen of hun kinderen die ons kunnen bijbrengen welke andere culturele elementen volgens hen waardevol zijn. Voor een buitenstaander lijken vooral het nationalisme en de godsdienst een aanzienlijke rol te spelen.

Nationalisme

Problemen rond nationalisme hangen samen met het feit dat de mens een sociaal wezen is: niet alleen heeft hij in zijn alledaags handelen zijn medemensen nodig; het valt hem ook moeilijk een voorstelling van zichzelf, een identiteit te vinden, tenzij als lid van een groep, met de anderen als "achtergrond". Maar er bestaan nogal wat verschillen tussen de wijzen waarop mensen, vooral jonge mensen, een "identiteit" zoeken. Vooral sinds de negentiende eeuw heeft men er in veel landen sterk voor geijverd dat mensen zich met hun staat identificeerden, die dan de natie of het vaderland genoemd werd. Men poogde er zelfs in te hameren dat het lieflijk (zoet) en eervol was voor het vaderland te sterven: dulce et decorum est pro patria mori.

In dezelfde periode kwam daarnaast de gedachte naar voren dat er zoiets als een volk kan bestaan, dat niet noodzakelijk samenvalt met de staat. Diverse bewegingen ijverden ervoor dat men zijn identiteit eerder in het toebehoren tot een volk zou zoeken, dan in de staat. De meeste vormen van dat "volksnationalisme" ontstonden door het feit dat bepaalde groepen zich binnen een staat geminoriseerd voelden. Die achterstelling kon uiteenlopende oorzaken hebben en dat heeft ertoe geleid dat men het begrip "volk" niet met één enkel criterium kan omschrijven. "Een volk (of een etnie) is een groep mensen die ge enmerkt kan zijn door, hetzij een gemeenschappelijke godsdienst, hetzij een taal, hetzij een territorium, hetzij, "raciale", (dat wil zeggen gemeenschappelijke, biologisch bepaalde) karakteristieken." Soms kunnen één of enkele van deze kenmerken volstaan om het etnie-(of volks-) karakter tot stand te brengen: het is vooral van belang dat de individuen zich als leden van de etnie ervaren. Volkse of etnische identiteit is een kenmerk van individuen die vinden dat ze tot een bepaalde etnie (of volk) behoren en die de tendens hebben zichzelf te bepalen (zich te identificeren) als lid van die etnie. Bij de Vlamingen is dat nationalisme bepaald door een gemeenschappelijke taal ("de taal is gansch het volk"); voor de Ieren is het de godsdienst, voor de Kroaten en de Serviërs eveneens, voor de joden een combinatie van godsdienst en biologische afstamming; voor de Italianen in de negentiende eeuw stonden taal en territorium centraal en bij de Duitsers werden taal, territorium en gaandeweg een denkbeeldige gemeenschappelijke raciale afstamming beklemtoond; voor het Franse en Belgische nationalisme is vooral een (ten dele mythische) gemeenschappelijke geschiedenis belangrijk.

Binnen dat nationalisme werd vaak het "nationalismebeginsel" verdedigd: de stelling dat de staat, de bron van de soevereiniteit, moet samenvallen met het volk. Dat heeft tot gevolg dat, ook nu nog, de termen "natie" en "nationalisme" soms betrekking hebben op de staat (zoals in Frankrijk, Groot Brittanië en de Verenigde Staten.) en soms op het "volk", zoals het Vlaams, joods of Arabisch nationalisme; voor de Duitsers en Italianen vallen de twee betekenissen van "natie" samen. Zowel het volks-als het staatsnationalisme hebben als positief kenmerk dat ze de solidariteit aanwakkeren tussen mensen die meestal binnen dezelfde gemeenschap leven en elkaar dus in alle opzichten wederzijdse steun kunnen verlenen. Maar beide types hebben ook twee negatieve tendensen vertoond:

(a) een overspannen solidariteitsgevoel kan zo ontsporen dat men het volk of de natie als de hoogste waarde inschat, zo dat het individu tot een radertje in een raderwerk wordt herleid: ("Alles voor Vlaanderen …"; "Todo por la patria"; "du bist nichts, dein Volk ist alles"). Dat leidt gemakkelijk tot fa natisme en totalitarisme; (b) de aanhankelijkheid aan de eigen natie kan gepaard gaan met een superioriteitsgevoel tegenover anderen (bijvoorbeeld in een bepaalde interpretatie van "Deutschland Deutschland über alles …"); zo ontstaat xenofobie en, als het nationalisme biologisch gefundeerd wordt, racisme.

Volk en cultuur

Hoewel de oorsprong van het zich identificeren als volk soms slechts op een beperkt aantal factoren berust (ofwel territorium, ofwel godsdienst, ofwel taal) bestaat toch bij volkeren en naties een tendens om zich ook, terecht of ten onrechte, een gemeenschappelijke cultuur toe te dichten. Dat leidt ertoe de termen "een cultuur" en "een volk" soms door elkaar te gebruiken. Ook antropologen spreken soms over de Hopi, de Luba, de Dogon, als "een cultuur" terwijl ze eigenlijk een etnie met een bepaalde cultuur bedoelen. Meestal leidt dit, op basis van de context, niet tot misverstanden, maar in het kader van de "multiculturele" problematiek is dat wel het geval. Wanneer je in Vlaanderen aan jongeren van allochtone afkomst vraagt tot welke cultuur ze behoren, dan zullen velen antwoorden: de Turkse cultuur, de Marokkaanse cultuur, de Koerdische cultuur en één enkele keer misschien de Berbercultuur; terwijl deze jongeren (als ze hier van kleins af school gelopen hebben) voor meer dan 90% van wat ik hierboven als de verzameling van culturele fenomenen omschreven heb, deel hebben aan de Vlaamse cultuur, als onderdeel van de West-Europese cultuur van de eenentwintigste eeuw. De verklaring voor die manifest niet authentieke houding omvat twee aspecten:

(a) De meeste van die jongeren (behalve de Koerden) identificeren zich in de eerste plaats met een natie-staat: Turkije of Marokko en de cultuurelementen die ze eigen hebben, stellen ze gelijk aan de Marokkaanse of Turkse cultuur. (Voor sommige aspecten, zoals de "hoofddoek" is dat vrij komisch, aangezien die bijvoorbeeld in Turkije niet toegelaten is in de scholen.) Simpel uitgedrukt, "Marokkaan zijn" is voor hen hetzelfde als "tot de Marokkaanse cultuur behoren". Maar in werkelijkheid zijn de cultuurverschillen met de echte Marokkanen zo groot dat de meerderheid onder hen niet in Marokko zou willen of kunnen leven. (b) De belangrijkste factor in deze bevreemdende houding ligt hierin: ze denken dat ze zich als Marokkaan of als Turk moeten beschouwen op grond van hun biologische afkomst. Kortom, hun identificatie is gebaseerd op rootisme.

Racisme en rootisme

Racisme is de overtuiging dat mensen in positieve of negatieve zin bepaald zijn door hun behoren tot een bepaald ras; correcter uitgedrukt, door een reeks (echte of denkbeeldige) eigenschappen die via biologische afstamming verworven zijn en die ze gemeenschappelijk hebben met een groep. Daar komt nog de overtuiging bij dat "rasvermenging" schadelijk is. Een racist definieert andere mensen op grond van hun genetische oorsprong: hij identificeert hen, (en belaadt hen eventueel met stigmata) niet op grond van wat zij als persoon zijn, maar als leden van een groep, waartoe zij, vanwege hun afstamming zouden behoren.


Wat ik rootisme noem is niet zo verderfelijk als racisme, maar het heeft er een verdacht aspect mee gemeen. De term komt van het woord roots, wortels. "Rootisme bestaat erin dat mensen zichzelf op biologische gronden definiëren: de rootist is overtuigd dat de eigen identiteit bepaald wordt door biologische afstamming." Als jongeren in Vlaanderen of Nederland, die hier geboren en getogen zijn, zich toch als Marokkaan beschouwen, ondanks het feit dat ze cultureel grondig verschillen van de inwoners van Marokko, dan baseren ze dat op het feit dat ze biologisch van Marokkanen afstammen. In tegenstelling met de racist, die anderen op basis van biologische afstamming in een vakje duwt, plaatst de rootist zichzelf om gelijkaardige redenen in een vakje. Met dat rootisme gaat veelal de overtuiging gepaard dat men aan de eigen roots trouw moet blijven: bijvoorbeeld de Marokkaanse (Turkse) nationaliteit, cultuur, godsdienst. Ik beschouw het als een belangrijke opgave voor de komende jaren dat we de kinderen van allochtonen ervan overtuigen dat het rootisme zowel om pragmatische als om ethische redenen, een verkeerde houding is.


Boven heb ik reeds in herinnering gebracht dat de mens een sociaal wezen is: om zich in stand te houden, heeft hij, vanaf het begin van zijn bestaan, behoefte gehad aan samenwerking met andere mensen. Aanvankelijk was dat de clan of de stam; bij de vorming van de grotere koninkrijken (in Egypte, Mesopotamië, enzovoorts) breidde deze solidariteit zich uit tot al de inwoners van het rijk, dit tengevolge van de groeiende intensiteit van handelsrelaties, gemeenschappelijke projecten ten behoeve van recht, verdediging, godsdienst, enzovoorts Daarbij blijft men vaststellen dat de basissolidariteit begint bij de kleine groep: gezin, familie, maar uitdeint naar de buren, het hele dorp, de hele stad, enzovoorts Met andere woorden, als er gradaties in solidariteit bestaan, hebben die te maken met het meer of minder nabij zijn van de anderen op het stuk van concrete interactie in het maatschappelijk leven. Het gezegde "een goede buur is beter dan een verre vriend", drukt dat heel goed uit. Het ideaal dat we moeten nastreven, bestaat er uiteraard in dat we deze solidariteit, deze liefde tot de naaste (de meest nabije) in concentrische cirkels uitbreiden tot de hele mensheid.


We moeten toegeven dat zo'n ideaal, dat manifest in het voordeel van allen is, in de loop van de geschiedenis in het gedrang kwam door het feit dat andere vormen van identificatie en solidariteit, deze spontane, voor de hand liggende, doorkruisten. Het aanhangen van een openbaringsgodsdienst heeft mensen, die normaal solidair zouden zijn, tegen elkaar opgezet; hetzelfde werd veroorzaakt door klassentegenstellingen en vormen van racisme.

Onder alle nefaste opdelingen van mensen in groepen is het racisme wel de meest absurde en de meest verderfelijke. De persoonseigenschappen van een mens: aanlegfactoren, karakter, vaardigheden, sociale kwaliteiten, enzovoorts zijn volstrekt niet bepaald door biologische factoren die ze, op grond van afstamming met een groep gemeen zouden hebben. Door deze wetenschappelijk onomstootbare vaststelling wordt het racisme zowel intellectueel als ethisch complete nonsens. Maar hetzelfde geldt voor enkele aspecten van het rootisme. Het feit dat iemand van Marokkaanse (Turkse, enzovoorts) afkomst is, heeft niet tot gevolg dat hij (zij) persoonskenmerken zou hebben die van nature de neiging tot solidariteit en samenwer king met personen van dezelfde afkomst zou versterken. Integendeel, objectief beschouwd is, wie aanleg heeft voor informatica, vooral geschikt om met informatici samen te werken, welke hun afstamming ook moge zijn; wie muzikaal begaafd is, zal zich bij andere musici thuis voelen, wie bij het spoor gaat werken, zal zich normaal met de spoormannen solidair voelen. Kortom, wie even rustig nadenkt, zal tot het besluit komen dat zowel op feitelijke als op ethische gronden het uitgangspunt van een gezonde solidariteit in de reële contacten en interacties met de medemens ligt: familiekring, werkkring, buurt, gemeente en bredere netwerken op het stuk van gezondheidszorg, sociale zekerheid, en tenslotte, ruimer gezien, het land waarin men leeft. Zolang het ideaal van wereldburgerschap niet gerealiseerd is, blijft het gewone burgerschap van dat land (onder meer uitgedrukt in een formele "nationaliteit") de normale vorm van solidariteit, wanneer men het niveau van de directe (face to face) contacten te buiten gaat. (Door federalismen kan dat burgerschap institutioneel enigszins worden opgedeeld: zo hebben Vlamingen de niveaus Vlaanderen, België en Europa.) Wanneer mensen desondanks bij voorkeur het gezelschap of de samenwerking met anderen zoeken, of zich een nationaliteit inbeelden op grond van hun biologische afstamming, dan is dat ofwel het gevolg van racisme, ofwel van rootisme en dus te verwerpen.

Rootisme en gezin

Men moet echter toegeven dat rootisme, hoewel het op zichzelf onverdedigbaar is, tot op zekere hoogte aannemelijk lijkt, omdat het aansluit bij houdingen die men wel geheel of gedeeltelijk kan goedkeuren. Het is ongetwijfeld normaal en zelfs lovenswaardig, solidair te zijn met de eigen familie: ouders, broers en zusters, grootouders. Dat heeft tot gevolg dat men spontaan gebruiken, rituelen en attitudes die in de familie bestaan, zal respecteren. Ook moeten kinderen respect opbrengen voor het feit dat de ouders (die pas na hun jeugd naar hier gekomen zijn), zich blijven identificeren met hun vaderland, hun cultuur, hun godsdienst. Wat ik rootisme noem, gaat echter verder dan deze familiale gebondenheid. Er is een verschil tussen het respecteren van de ouders als Marokkanen en de bewering — tegen de feiten in — dat men zelf Marokkaan is: bewering die eigenlijk betekent dat men zich meer solidair voelt met de bewoners van een ver land Marokko, dat men sporadisch eens bezoekt, dan met de bewoners van het land waar men zijn hele leven mee zal delen en waarvan men zich de cultuur meer en meer eigen maakt. Dat is een discriminatie op grond van biologische afstamming die heel dicht in de buurt van racisme komt.
Terloops, de Israëlische Wet op de Terugkeer, heeft tot gevolg dat iemand die uit een joodse moeder geboren is in Novosibirsk en waarvan de voorouders de laatste tweeduizend jaar geen voet in Palestina gezet hebben, vrije toegang krijgt tot Israël en tot het staatsburgerschap; maar de Palestijn die in de jaren '40 uit zijn huis verdreven werd en nu in Libanon woont, heeft dat recht helemaal niet. Hier kantelt een joodse vorm van rootisme duidelijk om in de richting van racisme: het in vakjes opdelen en discrimineren op grond van biologische afstamming.


Er is een tweede reden waarom rootisme meer begrijpelijk is dan racisme. Wie in een allochtone familie opgroeit, krijgt niet alleen de afstamming mee, maar wordt tevens in de meer familiegebonden aspecten van de oorspronkelijke cultuur opgevoed en daar behoren in concreto toe: de godsdienst en de opvattingen over huwelijk en familiale relaties. Nu is het een van de belangrijke mensenrechten dat een volwassene naar eigen inzicht een godsdienst kan kiezen of eventueel atheïst worden. Zo is het ook een onvervreemdbaar recht met een partner door het leven te gaan die men zelf gekozen heeft, of zelfs geen vaste partner te hebben en slechts losse relaties aan te gaan. Voor kinderen die van hun ouders houden, kan het soms heel pijnlijk zijn deze rechten tegenover hen te affirmeren. Ik kan daarover meespreken omdat ik, na een katholieke jeugd, mijn ouders het verdriet aangedaan heb afstand te doen van dit geloof. Bij veel kinderen van autochtonen komt daar nog bij dat ze bij eendergelijk conflict ook door een gemeenschap worden uitgestoten. Men moet begrijpen dat de angst daarvoor heel wat jongeren in het rootisme terugdringt: men raakt ervan overtuigd dat men de morele plicht heeft aan die roots trouw te blijven; terwijl de eigenlijke roeping van de menselijke persoon erin bestaat een stadium te bereiken waarop men zelfstandig en mondig door het leven kan gaan.


De pijnlijkste reden waarom het rootisme zoveel succes heeft, bestaat echter in het racisme van veel autochtonen. Het is bekend dat veel Duitse joden vóór de opkomst van het nazisme volkomen in het Duitse volk en de Duitse cultuur waren opgenomen: ze hadden met fierheid in de Eerste Wereldoorlog gevochten en velen waren atheïst en voelden zich nauwelijks met het jodendom verbonden. Het racisme van de nazi's echter heeft de en ele individuen die aan de dood ontsnapt zijn tot rootisme gebracht: tot het zichzelf ervaren als jood; immers, zonder een sterk gevoel van solidariteit met de slachtoffers van de shoah, konden ze aan hun leven geen zin meer geven. Indien rootisme ooit aanvaardbaar was, dan wel hier! In een minder extreme vorm hebben diverse uitingen van racisme als noodlottig effect dat degenen die er het mikpunt van zijn, zich precies daarin solidair gaan voelen en dat dan weer aanknopen bij het rootistisch denkkader.


Maar, hoeveel begrip we ook moeten hebben voor de factoren die het rootisme bevorderen, we moeten het inzicht blijven verspreiden dat een mens zich niet door gemeenschappelijke biologische afstamming gebonden mag achten. Ieder individu heeft een opgave tot authenticiteit: ons zelfbewustzijn, het wezenskenmerk van de mens, is onverbrekelijk verbonden aan het vermogen zelf onze keuzes te maken, kortom met het zelfbeschikkingsrecht. De liefde en de solidariteit die ons bindt aan degenen die ons nabij zijn, mag niet leiden tot ontrouw aan onszelf, tot gebrek aan authenticiteit. De begrippen vrijheid en autonomie verliezen hun betekenis wanneer een individu de belangrijkste levenskeuzes niet volkomen zelfstandig kan maken, omdat hij/zij zich gebonden voelt aan de roots. Ook als sociaal wezen moet men authentiek blijven: de begrippen naastenliefde en solidariteit verliezen eveneens hun betekenis wanneer ze meer betrekking hebben op een verre schimmige natie, dan op de mensen waarmee men dagelijks samenleeft.

Godsdienst

Veel duidelijker dan meestal wordt toegegeven, speelt de godsdienst in verband met de zogenaamde "multiculturaliteit" een centrale rol. Zoals boven reeds vermeld, zijn er binnen het christendom allerlei stromingen, waarvan sommige een interpretatie van de bijbel en de godsdienst voorstellen die nog weinig of niet met de resultaten van de wetenschap of met de waarden van de mensenrechten in strijd zijn. In de islam is dat proces, om het op zijn zachtst te zeggen, niet voltooid en zelfs de publicaties in die richting zijn bij de doorsnee moslims niet bekend. Nu vormt godsdienst voor jonge mensen die zich een wereldbeeld moeten vormen, wel een bijzonder probleem. Er zijn veel aspecten van een cultuur waarover geen positief of negatief oordeel te vellen valt: of iemand van Arabische muziek houdt of van de Surinaamse keuken, is een kwestie van smaak. In de grote godsdiensten worden echter beweringen voorgehouden die niet tegelijk waar kunnen zijn. Ofwel is Jezus, ofwel is Mohammed de laatste gezant van God, beide kunnen niet tegelijk waar zijn (ze kunnen wel allebei vals zijn!). Nu moet iedereen toch vroeg of laat op de gedachte komen dat de vraag wat de ware godsdienst is, niet afhangt van je afstamming: als je in een moslimgezin geboren wordt, is Mohammed de laatste profeet, als je in een christelijk gezin geboren wordt, is het Jezus. Dat kan toch geen criterium zijn! Op grond van dezelfde opgave tot zelfstandigheid en authenticiteit, waarvan hierboven sprake, moet ieder mens in zijn groei naar volwassenheid zelf kunnen uitmaken wat hij/zij als de juiste godsdienst of levensvisie zal beschouwen. Dat kan alleen in vrijheid gebeuren wanneer er zo weinig mogelijk sociale of emotionele druk van buitenaf een rol speelt en wanneer het geïnformeerd gebeurt: na kennisname van de argumenten voor en tegen bepaalde godsdiensten en vormen van atheïsme. Spijtig genoeg is bij veel allochtone ouders juist de godsdienst het aspect van hun cultuur waaraan ze het meest gehecht zijn en is geloofsafval bij hun kinderen moeilijk te verwerken. Vooral op dit terrein is dus veel begrip nodig; maar tevens is het des te belangrijker ook in dit verband duidelijk te stellen dat niemand zich op grond van afstamming tot trouw aan een godsdienst verplicht moet voelen.

Besluit

Bij een analyse van de zogenaamde multiculturaliteit (of "interculturaliteit") wordt het volgens mij duidelijk dat die geen betrekking heeft op het grootste gedeelte van wat volgens een correcte definitie "cultuur" is: het gaat vooral om nationalisme en om godsdienst. Zo'n nationalisme (Marokkaans, Turks, Arabisch) kan (buiten de samenleving waar het een element van het burgerschap kan vormen) op geen enkele grond worden gerechtvaardigd. Dat mensen die hier zijn opgevoed en van plan zijn hier voor de rest van hun leven te blijven, de nationaliteit aanhangen van een land waarvan ze nooit een echte burger zullen worden, is een aberratie. De vrijheid van godsdienst daarentegen behoort tot de mensenrechten, maar indien binnen een maatschappij verschillende godsdiensten naast elkaar bestaan, moet men die niet "multicultureel" maar "multigodsdienstig" noemen. In zo'n maatschappij hebben ouders het recht hun kinderen volgens hun eigen levensbeschouwing op te voeden, maar dat recht heeft (ook in verband met autochtonen) duidelijke beperkingen. Kinderen, van welke origine ze ook zijn, hebben het recht op zo'n wijze opgevoed te worden dat de toekomst voor hen volledig open staat. Zij zijn, als ze in Nederland geboren en opgevoed zijn, Nederlandse kinderen, hun taal is het Nederlands (tenzij ze, spijtig genoeg, in een opvoedingssysteem zitten dat hun normale taalontwikkeling belemmert). Elke vorm van opvoeding of onderwijs die hen belet zich de cultuur van het land waarin ze hun leven zullen doorbrengen, eigen te maken, of die in de richting gaat van het vermijden van normale (niet raciaal of etnisch) gebonden contacten met zoveel mogelijk medeburgers, vermindert hun kansen tot volwaardige opname in het maatschappelijk leven en vormt dus een aantasting van hun rechten, ongeacht of dit om racistische, dan wel om rootistische redenen gebeurt.

Niemand heeft een ethische verplichting tot trouw aan de natie, etnie, cultuur of godsdienst van de ouders; wel is er in algemene regel een ethische norm om volledig het burgerschap te beleven van het land waarin men zijn leven wenst door te brengen. Zodra men volwassen is, heeft men het recht te kiezen voor die segmenten van de algemene cultuur waaraan men voorkeur geeft. Dat kunnen cultuurelementen zijn die stroken met die van de eigen opvoeding; maar dat hoeft niet. De opvoeding moet erop gericht zijn de autonomie van de toekomstige volwassene in al die aspecten, inclusief levenswijze en wereldbeeld, te garanderen. Een betoog voor de "multiculturele" maatschappij dat het rootisme zou bevorderen, dat wil zeggen dat de indruk zou wekken dat mensen trouw moeten zijn aan een cultuur, godsdienst, etnie of natie op grond van biologische afstamming, is te verwerpen. Een ware "multiculturele" samenleving bestaat erin dat allen deel hebben aan die onderdelen van de cultuur die de harmonische samenleving van alle individuen bevorderen en dat voor het overige een ruime diversiteit van cultuurelementen bestaat waarmee ieder individu zonder verbod of zonder verplichting contact kan nemen.

Noten

E. Vermeersch, "An Analysis of the Concept of Culture", in Bernardi, Bernardo, (ed.), The Concept and Dynamics of Culture, World Anthropology, Mouton, Den Haag. Zie ook: E. Vermeersch, "Cultuur en Nationalisme", Ons Erfdeel, jan. 1994. p. 73-82., 1977, p. 9-73.

Dit artikel verscheen eerder in Floris van den Berg (red.), Schepping, wereldbeeld en levensbeschowuing, Bureau Studium Generale Universiteit Utrecht, Utrecht, 2003.